Een maand geleden meldde de VU in een persbericht (zie hier ) dat het ministerie van Onderwijs 260 duizend euro (per jaar) toekent voor een ambtsopleiding voor boeddhisten.
Het persbericht riep bij mij wat vragen op, vandaar dat ik het minsterie om aanvullende informatie heb gevraagd.
Die heb ik ontvangen; naast de beschikking van de staatssecretaris aan de VU ook een aantal antwoorden die ik het beste kan citeren:
"U vraagt onder welke voorwaarden deze subsidie is verleend.
De voorwaarden voor de subsidie staan in een brief aan de Tweede Kamer van het ministerie van (OCW). De aanvraag voor deze subsidie is getoetst en goedgekeurd met de negen criteria uit de brief. Relevant voor uw vraag is criterium nummer negen, de financiële transparantie van de organisatie.
U vraagt of het recht dat aan de Boeddhistisch Zendende Instantie(BZI) wordt verleend om een kandidaat tot boeddhistisch chaplain te benoemen, gebaseerd is op een overeenkomst tussen de VU en de BZI of dat het een voorwaarde is van het ministerie.
De benoemingsmogelijkheid tot boeddhistisch chaplain is geen voorwaarde van OCW.
Tot slot vraagt u of het al of niet erkennen van de Boeddhistische Unie Nederland - en daarmee de BZI - door minister Teeven van Justitie van invloed is op de subsidieverlening.
Voor het ministerie van OCW is het niet relevant of de mede-aanvrager erkend is door Justitie. In de Kamerbrief staat dat de aanvraag moet worden gedaan door een hogeronderwijsinstelling samen met één (of meer) organisatie(s) van (een) geloofsovertuiging(en). Ook moet de geloofsovertuiging voldoende draagvlak en erkenning hebben. Aan die criteria is voldaan."
Mijn kommentaar
Wat betreft de eerste vraag vind ik de andere criteria van het ministerie ook relevant, en was ik bijvoorbeeld benieuwd hoeveel boeddhisten er in Nederland volgens het ministerie zijn. M’n vragen daarover zijn niet beantwoord.
Het antwoord op de tweede en de derde vraag is ook relevant voor de evaluatie van de BUN als zendende instantie door het KASKI.
De erkenning van de BUN/BZI door het ministerie van Veiligheid en Justitie en de rechten die de BZI claimt te hebben zijn voor het ministerie van Onderwijs niet van belang.
(Ik hoop overigens dat het ministerie het verschil tussen de BUN en de BZI heeft begrepen; dat in de brief aan de VU wordt gesproken over “koepelorganisaties van moskeeën” stelt me wat dat betreft niet gerust.)
Een suggestie aan de VU
Nu is de invulling van de opleiding tot chaplain aan de beurt, een tweejarige opleiding die volgens de informele aankondigingen september 2013 gaat starten.
De aanvraag aan het ministerie en het opstellen van overeenkomsten heeft allemaal bijzonder binnenskamers plaatsgevonden.
Het zou de VU sieren als een deel van de invulling van de opleiding in het openbaar plaatsvindt.
Daarom roep ik de VU op, om ergens komend najaar een openbare bijeenkomst over de inhoud te organiseren. Eén van de onderwerpen die daarin in ieder geval aan de orde moeten komen is wat mij betreft de inhoud van geestelijke verzorging (door en/of voor boeddhisten) in de zorgsector, in ziekenhuizen en andere instellingen van volksgezondheid dus. Want het georganiseerde boeddhisme heeft tot nu toe nog geen blijk gegeven, zich daarin verdiept te hebben.
=======================================================================
BIJLAGE: Brief van het ministerie (oorspronkelijk een pdf-bestand)
(Van) Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(Aan) Het College van Bestuur van de Vrije Universiteit
De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM
Datum 3 1 MEI 2012
Betreft Bijzondere voorziening boeddhistische seminariumopleiding
Geacht College van Bestuur,
Met uw brief van 30 januari 2012 alsmede met de nazending op 11 april 2012 van de overeenkomst voor samenwerking van de Vrije Universiteit (VU) en de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) heeft u mij het verzoek voorgelegd om een bijdrage voor een "Bijzondere voorziening boeddhistische seminariumopleiding". U baseert zich hierbij op de brief van 2 juli 2010 aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31821, nr. 80) waarin de hoogte van de bijdrage in beginsel afhankelijk is gesteld van het aantal gelovigen voor de betrokken geloofsrichting(en).
Ik heb uw aanvraag beoordeeld aan de hand van de voorwaarden in de brief van 2 juli 2010 en ik heb vastgesteld dat u met de nazending van de samenwerkingsovereenkomst tussen de VU en de BZI daaraan in voldoende mate voldoet, zodat ik kan overgaan tot toekenning van een financiële bijdrage.
Ik bedank u én de betrokken koepelorganisaties van moskeeën voor de geleverde inspanningen om een verantwoorde opleiding tot stand te brengen. Wat betreft de bijdrage nog het volgende.
In uw aanvraag wordt weliswaar geen concreet bedrag genoemd, maar via de onderbouwing suggereert u de maximale bijdragen voor de ambtsopleiding. Uw onderbouwing met betrekking tot het aantal gelovigen voor de boeddhistische geloofsrichting onderschrijf ik. In verband hiermee ken ik de maximale bijdrage van € 260.000,00 toe.
De bijdrage wordt beschikbaar gesteld in de vorm van een verhoging van de onderwijsopslag, te weten jaarlijks een bedrag van € 260.000,00 voor de jaren 2012 tot en met 2016, onder voorbehoud van goedkeuring door de begrotingswetgever van de rijksbegroting voor de betreffende jaren. Deze
toekenning zal worden verwerkt in een wijziging van de Regeling financiering hoger onderwijs die in het najaar van 2012 zal verschijnen.
Hoogachtend,
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
(w.g.)
Halbe Zijlstra
Posts tonen met het label geestelijk verzorger. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geestelijk verzorger. Alle posts tonen
donderdag 5 juli 2012
woensdag 20 juni 2012
De evaluatie van de BUN schrijdt voort
Gisteren heb ik een gesprek gehad met Ton Bernts en Paul van der Velde van het KASKI die op verzoek van het ministerie van Veiligheid en Justitie de BUN als zendende instantie evalueren.
Het meeste dat ik hen heb kunnen vertellen, staat – in andere woorden soms – al in mijn blogs en ga ik niet herhalen.
Belangrijker dan het mijne is hun verslag en dat wat ze er mee gaan doen in de evaluatie die (na de zomervakantie, zeiden ze) naar hun opdrachtgever gaat.
Naar het ministerie van Veiligheid en Justitie dus; die moeten op basis daarvan dan beslissen of de tijdelijke ‘erkenning’ van de BUN als zendende instantie in een definitieve wordt omgezet; of natuurlijk dat de BUN niet meer wordt erkend omdat ze de afgelopen jaren tot op heden niet voldoet aan de criteria die het ministerie zelf in de Erkenningsov ereenkomst van november 2008 had opgenomen. Dit laatste is mijn mening en die heb ik gedocumenteerd aan het KASKI verteld.
Verder een paar punten
Ik had me er over verbaasd dat was toegestaan dat de BUN-leden uitstel hadden gekregen voor het invullen en terugsturen van de vragenlijsten die ze van het KASKI hadden gekregen tot na de ledenvergadering van de BUN op 9 juni j.l. Ik ging er daarbij van uit dat het KASKI die beslissing had genomen maar begrijp nu dat het de opdrachtgever, Justitie dus, was die met dit verzoek van het BUN-bestuur had ingestemd. Het blijft vreemd, ook wetenschappelijk gezien, omdat de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) konden afstemmen.
Het KASKI had gevraagd mij te spreken “als een vertegenwoordiger van de ongeorganiseerde ('ongebonden') boeddhisten” (ik citeer hun mail). Dit omdat ik ook in die rol door de voorzitter van de Werkgroep de Lotusbloem ben geïnterviewd.
Ik heb gereageerd met de mededeling graag vanuit het perspectief van de ongeorganiseerde/ongebonden boeddhist te spreken omdat ik me daar zeer in heb verdiept, maar mezelf als (losjes) verbonden boeddhist te beschouwen gezien de groepen waarin ik participeer.
Wat betreft het Eindrapport van de Werkgroep de Lotusbloem; met mijn commentaar “te weinig en te laat” hebben we het gehad over de aanbeveling over die ongebondenen:
“Onderzoek hoe een platform gecreëerd kan worden voor personen die zich niet willen laten vertegenwoordigen door een van de aangesloten leken-sangha’s maar wel gehoord willen worden door BUN-bestuur en ALV. [Werkgroep ALV]" (pagina 30 van het eindrapport).
Die aanbeveling is door de ledenvergadering overgenomen, zij het met moeite omdat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden. Die ‘Werkgroep ALV' is er volgens mij (nog) niet.
Overigens heb ik het KASKI ook een in mijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloem gemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland. “
Nee, heb ik gezegd, het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN juist zo klein (onder de tien procent)
Een deel van de vragen ging over de BZI, als zendende instantie dus. Ik heb m´n verbazing erover uitgesproken, nooit een inhoudelijke tekst, ook niet van de heren van het BZI, te hebben gelezen over boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector; en dat ik daarom daar zelf maar een kleine studie aan had gewaagd en over geschreven in mijn blogs de afgelopen maand .
Al pratend hierover kwam ik op een nieuwe gedachte die ik graag hier met de lezers wil delen.
In de gezondheidszorg zijn er veel geestelijk verzorgers werkzaam, zeker vier keer zoveel als bij Justitie. De rol van de zendende instantie is anders in de zorgsector, veel zorginstellingen (bv algemene ziekenhuizen) vinden het ´gezonden worden´ door een denominatie nauwelijks meer van belang; andere zorginstellingen nog wel maar in afnemende mate.
Ik vind de op verzoek van Justitie in 2010 opgerichte stichting BZI daarvoor niet geschikt, ook vanwege de rol die het Hoofd BGV daarin heeft gespeeld waardoor deze BZI de m.i. zieke geschiedenis niet achter zich kan laten. Daarom is het beter dat er voor de boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector te zijner tijd een apart zendende instantie wordt opgericht.
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.
Zo, nu kan ik wel even met vakantie.
Het meeste dat ik hen heb kunnen vertellen, staat – in andere woorden soms – al in mijn blogs en ga ik niet herhalen.
Belangrijker dan het mijne is hun verslag en dat wat ze er mee gaan doen in de evaluatie die (na de zomervakantie, zeiden ze) naar hun opdrachtgever gaat.
Naar het ministerie van Veiligheid en Justitie dus; die moeten op basis daarvan dan beslissen of de tijdelijke ‘erkenning’ van de BUN als zendende instantie in een definitieve wordt omgezet; of natuurlijk dat de BUN niet meer wordt erkend omdat ze de afgelopen jaren tot op heden niet voldoet aan de criteria die het ministerie zelf in de Erkenningsov ereenkomst van november 2008 had opgenomen. Dit laatste is mijn mening en die heb ik gedocumenteerd aan het KASKI verteld.
Verder een paar punten
Ik had me er over verbaasd dat was toegestaan dat de BUN-leden uitstel hadden gekregen voor het invullen en terugsturen van de vragenlijsten die ze van het KASKI hadden gekregen tot na de ledenvergadering van de BUN op 9 juni j.l. Ik ging er daarbij van uit dat het KASKI die beslissing had genomen maar begrijp nu dat het de opdrachtgever, Justitie dus, was die met dit verzoek van het BUN-bestuur had ingestemd. Het blijft vreemd, ook wetenschappelijk gezien, omdat de BUN-leden nu hun antwoorden op elkaar en op het door de BZI gewenste resultaat (erkenning) konden afstemmen.
Het KASKI had gevraagd mij te spreken “als een vertegenwoordiger van de ongeorganiseerde ('ongebonden') boeddhisten” (ik citeer hun mail). Dit omdat ik ook in die rol door de voorzitter van de Werkgroep de Lotusbloem ben geïnterviewd.
Ik heb gereageerd met de mededeling graag vanuit het perspectief van de ongeorganiseerde/ongebonden boeddhist te spreken omdat ik me daar zeer in heb verdiept, maar mezelf als (losjes) verbonden boeddhist te beschouwen gezien de groepen waarin ik participeer.
Wat betreft het Eindrapport van de Werkgroep de Lotusbloem; met mijn commentaar “te weinig en te laat” hebben we het gehad over de aanbeveling over die ongebondenen:
“Onderzoek hoe een platform gecreëerd kan worden voor personen die zich niet willen laten vertegenwoordigen door een van de aangesloten leken-sangha’s maar wel gehoord willen worden door BUN-bestuur en ALV. [Werkgroep ALV]" (pagina 30 van het eindrapport).
Die aanbeveling is door de ledenvergadering overgenomen, zij het met moeite omdat sommige BUN-leden niet 160.000 van een handvol de afgelopen jaren activistisch opererende zogenaamd ongebonden boeddhisten kunnen onderscheiden. Die ‘Werkgroep ALV' is er volgens mij (nog) niet.
Overigens heb ik het KASKI ook een in mijn ogen ernstige fout in het rapport van de Werkgroep Lotusbloem gemeld: Op pagina 23 maar ook elders in de tekst staat: “De BUN is voor de overheid vertegenwoordiger, ook ´representant´genoemd, van het georganiseerde boeddhisme in Nederland. “
Nee, heb ik gezegd, het ministerie van Veiligheid en Justitie en het Commissariaat voor de Media beschouwen de BUN als vertegenwoordiger van het boeddhisme, van het hele boeddhisme, van alle boeddhisten dus, en niet alleen van het georganiseerde boeddhisme. Juist dat feit maakt de representativiteit van de BUN juist zo klein (onder de tien procent)
Een deel van de vragen ging over de BZI, als zendende instantie dus. Ik heb m´n verbazing erover uitgesproken, nooit een inhoudelijke tekst, ook niet van de heren van het BZI, te hebben gelezen over boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector; en dat ik daarom daar zelf maar een kleine studie aan had gewaagd en over geschreven in mijn blogs de afgelopen maand .
Al pratend hierover kwam ik op een nieuwe gedachte die ik graag hier met de lezers wil delen.
In de gezondheidszorg zijn er veel geestelijk verzorgers werkzaam, zeker vier keer zoveel als bij Justitie. De rol van de zendende instantie is anders in de zorgsector, veel zorginstellingen (bv algemene ziekenhuizen) vinden het ´gezonden worden´ door een denominatie nauwelijks meer van belang; andere zorginstellingen nog wel maar in afnemende mate.
Ik vind de op verzoek van Justitie in 2010 opgerichte stichting BZI daarvoor niet geschikt, ook vanwege de rol die het Hoofd BGV daarin heeft gespeeld waardoor deze BZI de m.i. zieke geschiedenis niet achter zich kan laten. Daarom is het beter dat er voor de boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsector te zijner tijd een apart zendende instantie wordt opgericht.
Die oprichting kan eenvoudig doordat de leraren die een BGV-er met ambtsopleiding hebben erkend, samen een stichting oprichten, los van de BUN dus. Zoiets is (technisch) geen probleem.
Wellicht kan hierop worden geanticipeerd door nu al zo´n stichting (statutair) voor te bereiden. De bestuursleden van zo´n stichting kunnen – korte lijnen – de leraren zijn; wellicht kan er een secretaris aan deze leraren-bestuursleden worden toegevoegd die bij wijze van spreken volgend jaar al met de voorbereidingen kan starten.
Een extra voordeel van deze formule is dat er niet meer de afhankelijkheid is van het wel of niet ´erkennen´ van de BUN door Justitie, of van het zichzelf opheffen van de BUN.
Zo, nu kan ik wel even met vakantie.
zondag 27 mei 2012
Twee berichten - Het Boeddhistisch Dagblad gestart & (een dagje) Boeddhisme studeren bij de VU
Dit weekend is een eerste versie verschenen van een nieuw journalistiek webmagazine, met als titel ‘Boeddhistisch Dagblad ’. Zie hier .
Uit dit nummer: “Het Boeddhistisch Dagblad is een onafhankelijk geëngageerd journalistiek web magazine. We willen op een betrokken en frisse manier nieuws en achtergronden publiceren over boeddhistische thema’s en inzichten.”
Na een ´brief aan de lezers’ gaat dit nummer o.a. over het bezoek van de Dalai Lama in Huy (België)
We worden wel verwend; ik wordt wel verwend in ieder geval. Jaren lang roep ik dat er geen boeddhistische journalistiek is die ontwikkelingen in Nederland actief en critisch volgt; dat de BOS (die daar toch voor betaald wordt) en Vorm&Leegte/BoeddhaMagazine daar nauwelijks iets aan doen en de algemene journalistiek het een te marginaal gebeuren vindt. Terwijl toch heel wat thema’s in boeddhistisch Nederland de afgelopen jarende de publieke aandacht verdienden die ze nu niet krijgen. En niet alleen de vaste onderwerpen zoals de BUN en de BOS waar ik dan in arremoede over schreef. Maar ook over bv de vraag: hoe het financieel gaat met de lokale boeddhistische organisaties, de sangha’s op dit moment? En hoe lopen de geldstromen binnen Zen.Nl precies?
En nu ineens twee internet magazines: naast het een paar maanden geleden gestarte *OpenBoeddhisme* (zie hier ) nu dus ook het Boeddhistisch Dagblad.
En ik ga ook door met m’n blog. Ik ben geen journalist, voel me vrij (als ex-sociaal wetenschapper) door elkaar over nieuws, opinies, Dharma en boeddhologie te schrijven, en als het kan soms ook nieuws te maken. Slechts begrensd door mijn ethiek en door mijn beperkte vermogen zaken te begrijpen (daarom schrijf ik weinig over het Tibetaans boeddhisme, maar gelukkig doen anderen dat genoeg).
Over de stand van zaken van twee andere media ben ik minder zeker:
* de internetversie van BoeddhaMagazine (zie hier ) lijkt een probeersel van Asoka dat niet doorgezet wordt.
* Bodhitv (zie hier ), het internetblad van de BOS mist de gedrevenheid en de persoonlijkheid van de beginjaren; het brengt geen nieuws maar publiceert ervaringen van boeddhisten en persberichten.
Ik wens de redactie van BoeddhistischDagblad veel succes toe !
Hopenlijk zijn ze vòòr het weekend van 9 juni al voldoende op stoom om de ledenvergadering van de BUN te verslaan. We weten immers niet hoe lang de BUN nog bestaat.
===============================================================================
Dan een ander nieuwsfeit dat ik niet alleen als feit wil brengen maar ook in een context plaatsen.
Als je jong bent of anderszins nieuwsgierig naar hoe bij de Vrije Universiteit in Amsterdam de boeddhologie wordt beoefend, kan je een
Dagje Boeddhisme (en Hindoeïsme) komen studeren Zie het VU-bericht hier.
Ik citeer:
Dinsdag 5 juni kan je komen ervaren hoe het is om Boeddhisme of Hindoeïsme te studeren. Je krijgt dan informatie over de studie en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen. Ook verzorgen prof. dr. André van der Braak en dr. Lourens Minnema colleges.
Aansluitend op het dagje studeren volgt de feestelijke opening van de opleidingen. Als je een dagje komt studeren ben je ook daar van harte uitgenodigd.
Lijkt me interessant, al begrijp ik het zinnetje '... en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen ’ niet, het is immers een nieuwe opleiding, ook (en misschien juist) voor niet-Christenen.
Naast de minicollege’s zijn er ook korte inleidingen door onder andere:
Artho Jansen, voorzitter van de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) en door
Wim Janse, decaan Faculteit der Godgeleerdheid
Hun woorden zijn onderdeel van de openingsplechtigheid maar voor de aanstaande student zouden deze ook van belang kunnen zijn.
Dat brengt me op de context van deze opening.
Het betreft uitsluitend de bachelor boeddhisme (en hindoeisme maar daar heb ik het verder niet over)
Als ik weer 18 of 19 was, zou ik deze studie misschien wel gekozen hebben, al zou ik wel wat meer over de bijvakken hebben willen weten. Toen ik studeerde, interesseerde het me absoluut niet of ik daar later een beroep in kon vinden, maar velen kunnen zich tegenwoordig deze luxe van een babyboomer niet meer permitteren.
Niet alleen de bijvakken, ook interesseert de vraag me of het (alleen) gaat om het weten, het kennen van de diverse boeddhistische tradities en hun geschiedenis, of gaat het ook om het beoefenen er van?
De VU is nogal van de inter-religieuze dialoog maar wordt ook aandacht besteed aan de relatie tussen het boeddhisme en het agnosticisme, aan het seculiere boeddhisme dus ?
Of iemand met een bachelor boeddhisme een baan kan vinden: ik zou het niet weten. Maar iemand met een volledige opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger (BGV) mogelijk wel. Dan is een bachelor niet voldoende, dan heb je daarna een master + diploma van een ‘ambtsopleiding’ nodig.
En komen die opleidingen er echt? Zwart op wit?
Al te vaak is aangekondigd door de VU en/of de BZI dat die er komen: eerst zou het in 2011 zijn, toen in 2012 en nu wordt er over 2013 als startdatum van de master gesproken. (Aankondigingen vooral om het ministerie van Justitie te gerieven, is wel eens mijn indruk geweest).
Is die opleiding echt al door de VU bij het ministerie van Onderwijs aangevraagd? Daarover heb ik al een paar keer in mijn blog geschreven, ook deze maand, zie bv hier.
En als die ambtsopleiding er komt, mag dan iedereen die volgen of moet je aangewezen worden door een boeddhistisch leraar? De notitie (hier) van de BZI is niet zo duidelijk daarover.
En wat is de toekomst van de BZI als de toekomst van de BUN zo onzeker is? Zie hier. Doet dat er toe, om BGV-er te worden?
Dinsdag 5 juni van kwart over één tot half zes dus. Luisteren en vragen !
Ik neem aan dat ook anderen dan aspirant-studenten die middag welkom zijn.
Journalisten en bloggers bijvoorbeeld.
Of opgeven (hier ) echt nodig is, weet ik niet.
Update 30 mei
Op de website van Bodhitv is een interview met André van der Braak over deze bachelor-opleiding opgenomen, zie hier.
André stelt dat een afgestudeerde een 'boeddhistische professional' wordt. Wat is dat nu weer?
Iets anders dan 'beroepsboeddhist' kennelijk. maar ook geen 'boeddholoog'. Moet je boeddhist zijn om boeddhistisch professional te worden?
Uit dit nummer: “Het Boeddhistisch Dagblad is een onafhankelijk geëngageerd journalistiek web magazine. We willen op een betrokken en frisse manier nieuws en achtergronden publiceren over boeddhistische thema’s en inzichten.”
Na een ´brief aan de lezers’ gaat dit nummer o.a. over het bezoek van de Dalai Lama in Huy (België)
We worden wel verwend; ik wordt wel verwend in ieder geval. Jaren lang roep ik dat er geen boeddhistische journalistiek is die ontwikkelingen in Nederland actief en critisch volgt; dat de BOS (die daar toch voor betaald wordt) en Vorm&Leegte/BoeddhaMagazine daar nauwelijks iets aan doen en de algemene journalistiek het een te marginaal gebeuren vindt. Terwijl toch heel wat thema’s in boeddhistisch Nederland de afgelopen jarende de publieke aandacht verdienden die ze nu niet krijgen. En niet alleen de vaste onderwerpen zoals de BUN en de BOS waar ik dan in arremoede over schreef. Maar ook over bv de vraag: hoe het financieel gaat met de lokale boeddhistische organisaties, de sangha’s op dit moment? En hoe lopen de geldstromen binnen Zen.Nl precies?
En nu ineens twee internet magazines: naast het een paar maanden geleden gestarte *OpenBoeddhisme* (zie hier ) nu dus ook het Boeddhistisch Dagblad.
En ik ga ook door met m’n blog. Ik ben geen journalist, voel me vrij (als ex-sociaal wetenschapper) door elkaar over nieuws, opinies, Dharma en boeddhologie te schrijven, en als het kan soms ook nieuws te maken. Slechts begrensd door mijn ethiek en door mijn beperkte vermogen zaken te begrijpen (daarom schrijf ik weinig over het Tibetaans boeddhisme, maar gelukkig doen anderen dat genoeg).
Over de stand van zaken van twee andere media ben ik minder zeker:
* de internetversie van BoeddhaMagazine (zie hier ) lijkt een probeersel van Asoka dat niet doorgezet wordt.
* Bodhitv (zie hier ), het internetblad van de BOS mist de gedrevenheid en de persoonlijkheid van de beginjaren; het brengt geen nieuws maar publiceert ervaringen van boeddhisten en persberichten.
Ik wens de redactie van BoeddhistischDagblad veel succes toe !
Hopenlijk zijn ze vòòr het weekend van 9 juni al voldoende op stoom om de ledenvergadering van de BUN te verslaan. We weten immers niet hoe lang de BUN nog bestaat.
===============================================================================
Dan een ander nieuwsfeit dat ik niet alleen als feit wil brengen maar ook in een context plaatsen.
Als je jong bent of anderszins nieuwsgierig naar hoe bij de Vrije Universiteit in Amsterdam de boeddhologie wordt beoefend, kan je een
Dagje Boeddhisme (en Hindoeïsme) komen studeren Zie het VU-bericht hier.
Ik citeer:
Dinsdag 5 juni kan je komen ervaren hoe het is om Boeddhisme of Hindoeïsme te studeren. Je krijgt dan informatie over de studie en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen. Ook verzorgen prof. dr. André van der Braak en dr. Lourens Minnema colleges.
Aansluitend op het dagje studeren volgt de feestelijke opening van de opleidingen. Als je een dagje komt studeren ben je ook daar van harte uitgenodigd.
Lijkt me interessant, al begrijp ik het zinnetje '... en kan studenten vragen hoe het is om de opleiding te doen ’ niet, het is immers een nieuwe opleiding, ook (en misschien juist) voor niet-Christenen.
Naast de minicollege’s zijn er ook korte inleidingen door onder andere:
Artho Jansen, voorzitter van de Boeddhistische Zendende Instantie (BZI) en door
Wim Janse, decaan Faculteit der Godgeleerdheid
Hun woorden zijn onderdeel van de openingsplechtigheid maar voor de aanstaande student zouden deze ook van belang kunnen zijn.
Dat brengt me op de context van deze opening.
Het betreft uitsluitend de bachelor boeddhisme (en hindoeisme maar daar heb ik het verder niet over)
Als ik weer 18 of 19 was, zou ik deze studie misschien wel gekozen hebben, al zou ik wel wat meer over de bijvakken hebben willen weten. Toen ik studeerde, interesseerde het me absoluut niet of ik daar later een beroep in kon vinden, maar velen kunnen zich tegenwoordig deze luxe van een babyboomer niet meer permitteren.
Niet alleen de bijvakken, ook interesseert de vraag me of het (alleen) gaat om het weten, het kennen van de diverse boeddhistische tradities en hun geschiedenis, of gaat het ook om het beoefenen er van?
De VU is nogal van de inter-religieuze dialoog maar wordt ook aandacht besteed aan de relatie tussen het boeddhisme en het agnosticisme, aan het seculiere boeddhisme dus ?
Of iemand met een bachelor boeddhisme een baan kan vinden: ik zou het niet weten. Maar iemand met een volledige opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger (BGV) mogelijk wel. Dan is een bachelor niet voldoende, dan heb je daarna een master + diploma van een ‘ambtsopleiding’ nodig.
En komen die opleidingen er echt? Zwart op wit?
Al te vaak is aangekondigd door de VU en/of de BZI dat die er komen: eerst zou het in 2011 zijn, toen in 2012 en nu wordt er over 2013 als startdatum van de master gesproken. (Aankondigingen vooral om het ministerie van Justitie te gerieven, is wel eens mijn indruk geweest).
Is die opleiding echt al door de VU bij het ministerie van Onderwijs aangevraagd? Daarover heb ik al een paar keer in mijn blog geschreven, ook deze maand, zie bv hier.
En als die ambtsopleiding er komt, mag dan iedereen die volgen of moet je aangewezen worden door een boeddhistisch leraar? De notitie (hier) van de BZI is niet zo duidelijk daarover.
En wat is de toekomst van de BZI als de toekomst van de BUN zo onzeker is? Zie hier. Doet dat er toe, om BGV-er te worden?
Dinsdag 5 juni van kwart over één tot half zes dus. Luisteren en vragen !
Ik neem aan dat ook anderen dan aspirant-studenten die middag welkom zijn.
Journalisten en bloggers bijvoorbeeld.
Of opgeven (hier ) echt nodig is, weet ik niet.
Update 30 mei
Op de website van Bodhitv is een interview met André van der Braak over deze bachelor-opleiding opgenomen, zie hier.
André stelt dat een afgestudeerde een 'boeddhistische professional' wordt. Wat is dat nu weer?
Iets anders dan 'beroepsboeddhist' kennelijk. maar ook geen 'boeddholoog'. Moet je boeddhist zijn om boeddhistisch professional te worden?
Labels:
boeddhologie,
BUN,
BZI,
geestelijk verzorger,
VU
dinsdag 15 mei 2012
Boeddhistisch Geestelijke Verzorger, wat is dat ? Beschouwing over het beroep en opleiding daartoe
Met het beroep boeddhistisch geestelijk verzorger (BGV) is iets merkwaardigs aan de hand. Er is geen enkel document dat over de inhoud van dat beroep gaat, wat het is of (omdat het grotendeels nog moet starten) wat het zou kunnen zijn.
Zeker, er zijn een aantal stukken die over de inhoud gaan, maar betreffen slechts enkele formele aspecten.
Er is een curriculum-commissie voor de VU-opleiding maar de stukken daarvan zijn niet openbaar.
Daarom wat tastend een overzicht over wat het beroep BGV-er zou kunnen zijn en hoe de opleiding georganiseerd kan zijn. Een blog met veel vragen dus.
Het openbaar worden van de overeenkomst tussen de VU en de BZI van 31 maart jl (zie onder) is de concrete aanleiding, niet op alle antwoorden te wachten.
1. Wat is BGV?
Ik weet het niet, bij voorbaat in ieder geval omdat het iets is dat nog niet bestaat. Is het:
a. Geestelijke verzorging (g.v.) gegeven dòòr een boeddhist?
b. G.v. gegeven ààn een boeddhist?
c. G.v. volgens boeddhistische principes, door wie dan ook aan wie dan ook gegeven?
Ik vermoed dat impliciet vaak mogelijkheid c wordt bedoeld, met element van mogelijkheid a (want het gaat ook om werkgelegenheid)
Maar welke principes dan? Want de boeddhistische tradities verschillen nogal van elkaar, zeker in aspecten die g.v. raken (het gaat toch om meer principes dan die van ‘compassie’ moet ik aannemen)
En geldt dit alles zowel de BGV aan justitiabelen als aan clienten/patienten in de gezondheidszorg, want die wil de BZI ook coveren?
Wat ik tot nu toe in stukken van de BZI (of de VU) heb gelezen, geeft volstrekt geen antwoord op die vragen.
2. Waar kan je BGV-er zijn?
Als we kijken waar, door geestelijk verzorgers van andere religies/levensbeschouwingen, geestelijke verzorging wordt beoefend, dan zijn er vier plekken:
(a) Bij de DGV van het Ministerie van Veiligheid en Justitie
Er zijn sinds 2010 nu 6 parttime BGV-ers in dienst (het Hoofd BGV – Varamitra – is zelf geen geestelijk verzorger); uitbreiding is onwaarschijnlijk.
(b) Bij de krijgsmacht (het Ministerie van Defensie; zie hier)
Er zijn bij sommige beroepsboeddhisten wel eens fantasieën over BGV bij de Krijgsmacht. Ik kan daar kort over zijn: er zullen zeer weinig boeddhisten in het Nederlandse leger dienen; dat is geen probleem, en het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat Defensie er toe zal over gaan BGV-ers in dienst te nemen.
(c) Bij instellingen van gezondheidszorg
De VGVZ onderscheidt zes werkvelden waar geestelijk verzorgers werkzaam zijn: Ziekenhuizen, Verpleeg- en Verzorgingshuizen, Psychiatrie, Jeugdzorg, Verstandelijk Gehandicapten en Revalidatie.
Als we vergelijken hoeveel geestelijk verzorgers andere religies daar hebben, vergeleken met het aantal van de betreffende religie bij de DGV dan zijn dat er ongeveer vier maal zoveel.
Op deze wijze berekend zouden er enkele tientallen BGV-ers kunnen werken.
Echter: het in dienst nemen gaat in tegenstelling tot bij het Ministerie van Justitie niet centraal: ieder ziekenhuis en andere gezonheidszorgvoorziening is vrij hoeveel g.v.-ers van welke denominatie men wenst aan te nemen. En die denominatie blijkt in belang af te nemen: er wordt primair gekeken naar brede kwaliteit en inzetbaarheid. Steeds minder ook worden g.v.-ers formeel ‘gezonden’; een organisatie als de BZI is ook nauwelijks nodig. Steeds meer is accreditatie van belang (zie hieronder)
Zo zijn er nu ook al (mij bekend) g.v.-ers werkzaam in de gezondheidszorg die boeddhist zijn of daar duidelijke affiniteit mee hebben, maar formeel dominee zijn. Nu heb ik zelf helemaal niets met het Christendom maar mijn indruk is dat ze het goed doen.
Ik ken geen enkel behoefteonderzoek naar BGV in de diverse werkvelden van de gezondheidszorg
(d) Vrijgevestigde geestelijk verzorgers
Dit is een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling. Over het aantal is nog niets te zeggen: er zijn er zoveel nodig als er markt voor deze ZZP-ers is. Van een zendende instantie is helemaal geen sprake, wel (althans dat is gewenst) van accreditatie, zie hieronder.
De website van de VU suggereert dat een afgestudeerde ook geestelijk verzorger in het bedrijfsleven of het onderwijs kan worden, daarover heb ik geen verdere informatie kunnen vinden.
Samenvattend:
Als in 2015 of daarna afgestudeerde boeddhistisch geestelijk verzorgers een baan zoeken, maken ze daarvoor bij gezondheidszorg-instellingen de meeste kans. Hoe groot die kans is: geen idee.
3. De eisen van de VGVZ en de SKGV
VGVZ: Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen
SKGV: Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers
Vereniging en stichting stellen eisen aan wie men geestelijk verzorger en opleider tot geestelijk verzorger wil noemen. Beide zijn onafhankelijk van levensbeschouwelijke organisaties, van overheden en van zorginstellingen. Zie hier en hier
Wat mij het proberen waard lijkt, is te kijken hoe en waar aan deze beroepseisen de bovengenoemde boeddhistische principes gekoppeld kunnen worden.
Uit de ‘beroepsstandaard’ van de VGVZ (zie hier)
“Geestelijke verzorging in en vanuit zorginstellingen is:
* de professionele en ambtshalve begeleiding van en hulpverlening aan mensen bij hun zingeving en spiritualiteit, vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging en
* de professionele advisering inzake ethische en/of levensbeschouwelijke aspecten in zorgverlening en beleidsvorming.”
Het “en spiritualiteit” is in een recente versie toegevoegd, voor het boeddhisme relevant! De toelichting daarop (pagina 9) is een aanrader. De eerste zin ervan: “Het begrip spiritualiteit verwijst naar processen van innerlijke omvorming. Spiritualiteit laat zich omschrijven met termen als bezieling, transcendentie, verbondenheid en verdieping. Spiritualiteit betreft niet alleen mensen die een bepaalde religie aanhangen. ...”
Een andere passage uit deze toelichting:
“Vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging
.... Het zal niet altijd en overal mogelijk zijn pluriformiteit optimaal te realiseren. Dit zou kunnen leiden tot versnippering van de beschikbare personeelsformatie voor geestelijke verzorging en dit komt de herkenbare aanwezigheid in en betrokkenheid bij de instelling niet ten goede. Geestelijk verzorgers zijn breed inzetbaar voor patiënten van alle levensbeschouwelijke achtergronden. Dat een geestelijk verzorger staat in dezelfde levensbeschouwelijke traditie als de patiënt kan voor de laatste een meerwaarde hebben.
Wanneer een patiënt vraagt naar een ambtsdrager van de eigen denominatie, verwijst de
geestelijk verzorger hem door naar de desbetreffende collega geestelijk verzorger in dezelfde instelling, mits deze natuurlijk beschikbaar is, of h/zij maakt zonodig afspraken over inzet en eventuele vergoeding van ambtsdragers van buiten de zorginstelling.”
Verder wordt (pag. 10) ook de rol van een geestelijk verzorger op het vlak van de ethische advisering van de zorginstelling waar zij of hij werkzaam is, genoemd. Gezien de toenemende euthanasie-discussie ook voor boeddhisten relevant.
Over de opleidingseisen (zie onder) wordt gezegd:
“Deze opleidingseisen waarborgen twee belangrijke kwaliteiten van de geestelijk verzorger; namelijk, dat deze
a. in staat is tot tweede reflectie, dat wil zeggen dat h/zij de eigen vooronderstellingen en uitgangspunten onderkent; en
b. dat h/zij breed inzetbaar is, dus ook voor mensen van andere dan de eigen levensbeschouwelijke richting.”
Over het ambtshalve karakter van dit beroep:
“De geestelijk verzorger heeft als ambtsdrager een identiteit die gelegitimeerd is door een maatschappelijk erkend levensbeschouwelijk genootschap. Die identiteit kan weliswaar worden onderscheiden, maar niet los gezien van de professionaliteit.
Voor de VGVZ is het ambtshalve aspect van belang, omdat het domein van de geestelijke
verzorging (zingeving) nooit 'neutraal' is en altijd vraagt om een positiebepaling van de geestelijk verzorger. De geestelijk verzorger heeft daarbij altijd een open houding naar andere levensbeschouwingen. Een authentieke omgang met de eigen levensbeschouwing is daarvoor noodzakelijk. Het ambt en de eigen spiritualiteit behoren zo tot het hart van de professionele identiteit.”
Ik hoop dat de BUN te zijner tijd deze en verder boven geciteerde uitspraken voor haar rekening wenst te nemen; vermoedelijk is hierop in BUN-kring tot nu toe niet gereflecteerd.
De SKGV is een onafhankelijke stichting die het beroepsregister van geestelijk verzorgers in zorginstellingen beheert en die beroepsopleidingen (zoals die van de VU) accrediteert.
Ten behoeve daarvan is een toetsingskader vastgelegd, gebaseerd op boven beschreven beroepsstandaard van de VGVZ, zie hier .
Het ‘toetsingskader’ bevat een grote serie noodzakelijk aanwezige kernkwaliteiten; deels kennis, vaardigheden en houding en deels professioneel en (voor ons relevant) ambtelijk. Te veel om op te noemen, maar zeer lezenswaardig.
Verder bevat het toetsingskader een serie Beoordelingscriteria voor initiële opleidingen. Ik neem aan dat de toekomstige VU-opleiding daaraan voldoet; immers de (VU) master Geestelijke Zorg in Organisaties en de master Islamitisch geestelijk verzorger zijn al door de SKGV geaccrediteerd.
Een rijke oogst, vind ik, om boeddhistische principes aan het beroep geestelijk verzorger te koppelen.
Het is nog veel werk, dit precies te doen. Iets voor een scriptie?
4. BGV in andere landen
Ik beperk me, omdat daarover het meeste te vinden is, tot (de opleiding in) de V.S.; de bronnen heb ik nog maar oppervlakkig bekeken.
Buddhist Chaplains Network
De site van een amerikaanse netwerk van boeddhistische chaplains.
Veel pagina’s met omschrijving van wat het beroep is, vakliteratuur enzovoorts.
Buddhist chaplains
Een met bovengenoemde vergelijkbare (waarschijnlijk kleinere) organisatie. Vooral om de persoon van ene Jennifer Block, een Buddhist chaplain in San Francisco.
Van haar is een mooi artikel opgenomen over wat dit beroep in houdt: hier .
Upaya training chaplaincy
Een opleiding onder verantwoordelijkheid van de ook in Nederland bekende Joan Halifax Roshi.
De opleiding biedt “a two-year Certificated Buddhist Chaplaincy Training Program in Prison, End-of-Life-Care, Peacemaking, Youth, Women’s and Environmental Ministry. The training is open to those who wish to be ordained as Buddhist Chaplain Priests, Lay Chaplains, and also those who wish to deepen their understanding of service from the Buddhist and systems perspective.”
Niet helemaal vergelijkbaar met wat men in Nederland onder BGV verstaat, maar wel inspirerend.
Opleiding door de University of the West
Van de Rev. Danny Fisher. De universiteit biedt een opleiding tot Master of Divinity in Buddhist Chaplaincy.
“About the Program. The Buddhist Chaplaincy program provides students with the necessary knowledge and skills to excel as Buddhist practitioners working in the field of professional chaplaincy. The program is designed to meet the needs of those who wish to engage in spiritual care and counseling work and become properly trained and certified professionals. The program incorporates the requirements of the Association of Professional Chaplains (APC)”
Opleiding van het Institute voor Buddhist Studies
Ook hun opleiding tot buddhist chaplain refereert aan de eisen van bovengenoemde APC
De beroepsinhoudelijke cursus ‘buddhist chaplaincy’ is uitbesteed (als ik het goed begrijp) aan het ‘Sati Center Buddhist Chaplaincy Training Program’, zie hier .
Naropa, het beroemde (of beruchte) instituut ooit opgericht door Chögyam Trungpa biedt o.a.: “The Master of Divinity degree prepares people for professional work in the fields of pastoral care, Buddhist chaplaincy and/or interfaith chaplaincy, dharma teaching and community development. This three-year program is firmly grounded in Buddhist Studies concerning both its philosophy and its practice of meditation practice, and strongly emphasizes an interreligious approach to individual and community care, and a pluralistic view of working with life and diversity.” Zie hier.
Eén onderdeel is apart het vermelden waard: “Interfaith Pastoral Care Training — the ability to serve the spiritual and human needs of a diverse community in a ministerial/chaplaincy role while embodying the principles and practices of one’s primary tradition”.
In deze bronnen heb ik diverse flarden gevonden van boeddhistische principes die ook bruikbaar zijn voor het beroep BGV in Nederland, maar niet systematisch genoeg om daar een rijtje van te maken. Misschien iets voor een scriptie?
Als zijlijn, een voorbeeld van activistische ‘chaplains’ komt uit de Occupy-beweging in de VS verleden jaar waar ook chaplains (in opleiding) zichtbaar actief waren, zie de jizochronicles. Ik hoop dat ook in Nederland het durven uitsteken van de nek onderdeel van een BGV-opleiding zal zijn.
5. De VU-opleiding voor BGV-ers of Boeddhistische Ambtsdragers
Hierover heb ik eerder geschreven, zie hier .
Van belang is de 'Update BZI - november 2011' zoals te vinden op de website van de BUN, het stuk geaccepteerd door de BUN-ledenvergadering. Een citaat:
“Ambtsopleiding boeddhisme ...
Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.
Meer dan de bachelor/master opleiding zal deze ambtsopleiding onder toezicht komen te staan van erkende Boeddhadharmaleraren in Nederland. De VU blijft echter verantwoordelijk voor de inhoud en het niveau van het onderwijs. Afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft. Deze studenten zullen worden ingeschreven in een ambtsregister.
Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen. ...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. .... “
6. Hoe verhoudt deze intentie (waar de ledenvergadering van de BUN november 2011 zonder discussie mee ingestemd heeft) zich met de overeenkomst tussen de VU en de BZI, gesloten 31 maart 2012 ? (zie hier )
Eigenlijk komen de geciteerde punten uit de ‘Update’ van november 2011 helemaal niet aan de orde in de ‘overeenkomst’.
[Terzijde: de ‘overeenkomst’ spreekt in punt 1.2 over een “... aanvullende brief van het Bestuur van de BUN van 16 januari 2012.”; aanvullend op het – ongetekende – delegatiebesluit van 3 april 2009. Deze aanvullende brief is echter niet gepubliceerd]
Er staat bv in de overeenkomst: “1.4, De studenten van de (ambts)opleiding schrijven zich in bij de VU.”; de ‘boeddhadharmaleraren’ (ik vind het een raar en te lang woord) lijken geen rol te spelen bij deze inschrijving.
Wat er gebeurt met de afgestudeerden, komt in de overeenkomst niet aan de orde. De opvatting van de BZI (en van BUN): “afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft” komt in de overeenkomst niet voor. Dat kan ik me voorstellen: een student afhankelijk maken van de beslissing van één persoon over een paar jaar is juridisch nogal gammel; daar waagt de VU zich niet aan, denk ik.
Het toezicht van de “Boeddhadharmaleraren“ kan hoogstens vorm krijgen in de uitgebreid omschreven ‘curriculum-commissie’ maar komen daar, als ik de overeenkomst begrijp, niet expliciet in voor.
Komt er, zoals gebruikelijk is bij protestante ambtsopleidingen nog een apart ‘kerkelijk examen’ na het universitaire examen? Daarover zwijgt de overeenkomst.
Dat brengt me bij een andere vraag en een verwant thema:
7. Hoe verhoudt de intentie (van VU en BZI) voor een aldus vormgegeven ambtsopleiding zich met de intentie van de Minister van Onderwijs bij de subnsidieregeling waarvan de VU/BZI gebruik willen maken?
De 'overeenkomst' noemt de regeling (HO&S 2010/214378; juli 2010). Politiek is het bekend als Kamerstuk 31821 nr. 80. (zie hier ).
De regeling geeft als definitie “Ambtsopleidingen zijn opleidingstrajecten tot ambtsdragers of voorgangers in een geloofsovertuiging.”
Dat is merkwaardig: de ‘Update’ van de BZI uit november 2011 benadrukt nu juist dat de beoogde ambtsopleiding géén ‘voorgangers’, (het protestant-christelijke woord voor ‘leraren’) opleidt.
De vraag is dus of de gewenste opleiding wel uit de subsidieregeling van het ministerie van Onderwijs, bedoeld in de overeenkomst, gefinancierd mag en kan worden.
Al eerder heb ik het ministerie daar vragen over gesteld (zie m’n blog ) Het antwoord dat ik 27 juni 2011 ontving, luidde:
“Het antwoord op uw eerste vraag is dat er bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geen verzoek loopt voor financiering van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger. Dat maakt het antwoord op de overige vragen overbodig.
Wat betreft de informatie die u nog in uw brief verstrekt: die zal – net als de informatie die u eerder verstrekte - bij de behandeling van een eventueel verzoek om financiering in de overwegingen worden meegenomen. “
Eén van m’n vragen was en is hoeveel boeddhisten er volgens de VU er in Nederland zijn: minder dan 75 duizend, meer dan 150 duizend of daar tussen in: een aantal, bepalend voor de hoogte van de mogelijke subsidie. En zal het Ministerie de VU geloven als die – op gezag van de BZI – stelt dat er bv 170 duizend zijn?
Misschien kan het ministerie nu antwoord geven op deze vragen.
Want dit mag toch wel openbaar zijn?
8. Tot slot herhaal ik een suggestie, in februari gedaan:
Als het twijfelachtig blijft of er echt behoefte is aan expliciete boeddhistisch geestelijke verzorging in de gezondheidszorg,
en als het twijfelachtig blijft of een door de VU te starten ambtsopleiding er in 2013 kan komen,
en als het twijfelachtig blijft hoe de bestuurlijke toekomst van BUN en BZI er uit gaat zien,
zou het veel logischer zijn en minder verspilling van middelen betekenen als er een
korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de zorgsectoren werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier .
Iets voor de VU misschien?
En incidenteel kunnen dan daarnaast – net als nu – zorginstellingen boeddhistische leraren op afroep vragen geestelijke verzorging aan een van hun clienten of patiënten te geven.
Update van 20 mei
In oktober dit jaar verschijnt het (mij bekende) eerste boek specifiek gewijd aan BGV:
"The Arts of Contemplative Care", bij Wisdom Books
Synopsis:
Due October 2012. This work collects the voices of pioneers in the exciting new domain of vocational Buddhism. This anthology captures the richness and diverse practices of socially engaged Buddhism within the context of the fields of chaplaincy and ministry that until recently were dominated primarily by Judeo-Christian faith traditions. The stories in this volume reveal to the reader how the practices and concepts of the Buddhist tradition are uniquely suited to nourishing both those who give and those who receive care. This book will inspire readers to apply their spiritual practice in engaged contexts and will provide nourishment to those called to serve as caregivers.
"This inspiring collection marks the coming of age of Buddhist chaplaincy. It will be the principal handbook for such ministries in the years to come." Christopher Queen, editor Engaged Buddhism in the West.
"A must-read for caregivers - a treasure trove of practical wisdom." Fleet Maull, founder of the Prison Dharma Network and National Prison Hospice Association.
"Destined to become the core text of Buddhist chaplaincy. A radical and wise offering to the world." Noah Levine.
Zeker, er zijn een aantal stukken die over de inhoud gaan, maar betreffen slechts enkele formele aspecten.
Er is een curriculum-commissie voor de VU-opleiding maar de stukken daarvan zijn niet openbaar.
Daarom wat tastend een overzicht over wat het beroep BGV-er zou kunnen zijn en hoe de opleiding georganiseerd kan zijn. Een blog met veel vragen dus.
Het openbaar worden van de overeenkomst tussen de VU en de BZI van 31 maart jl (zie onder) is de concrete aanleiding, niet op alle antwoorden te wachten.
1. Wat is BGV?
Ik weet het niet, bij voorbaat in ieder geval omdat het iets is dat nog niet bestaat. Is het:
a. Geestelijke verzorging (g.v.) gegeven dòòr een boeddhist?
b. G.v. gegeven ààn een boeddhist?
c. G.v. volgens boeddhistische principes, door wie dan ook aan wie dan ook gegeven?
Ik vermoed dat impliciet vaak mogelijkheid c wordt bedoeld, met element van mogelijkheid a (want het gaat ook om werkgelegenheid)
Maar welke principes dan? Want de boeddhistische tradities verschillen nogal van elkaar, zeker in aspecten die g.v. raken (het gaat toch om meer principes dan die van ‘compassie’ moet ik aannemen)
En geldt dit alles zowel de BGV aan justitiabelen als aan clienten/patienten in de gezondheidszorg, want die wil de BZI ook coveren?
Wat ik tot nu toe in stukken van de BZI (of de VU) heb gelezen, geeft volstrekt geen antwoord op die vragen.
2. Waar kan je BGV-er zijn?
Als we kijken waar, door geestelijk verzorgers van andere religies/levensbeschouwingen, geestelijke verzorging wordt beoefend, dan zijn er vier plekken:
(a) Bij de DGV van het Ministerie van Veiligheid en Justitie
Er zijn sinds 2010 nu 6 parttime BGV-ers in dienst (het Hoofd BGV – Varamitra – is zelf geen geestelijk verzorger); uitbreiding is onwaarschijnlijk.
(b) Bij de krijgsmacht (het Ministerie van Defensie; zie hier)
Er zijn bij sommige beroepsboeddhisten wel eens fantasieën over BGV bij de Krijgsmacht. Ik kan daar kort over zijn: er zullen zeer weinig boeddhisten in het Nederlandse leger dienen; dat is geen probleem, en het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat Defensie er toe zal over gaan BGV-ers in dienst te nemen.
(c) Bij instellingen van gezondheidszorg
De VGVZ onderscheidt zes werkvelden waar geestelijk verzorgers werkzaam zijn: Ziekenhuizen, Verpleeg- en Verzorgingshuizen, Psychiatrie, Jeugdzorg, Verstandelijk Gehandicapten en Revalidatie.
Als we vergelijken hoeveel geestelijk verzorgers andere religies daar hebben, vergeleken met het aantal van de betreffende religie bij de DGV dan zijn dat er ongeveer vier maal zoveel.
Op deze wijze berekend zouden er enkele tientallen BGV-ers kunnen werken.
Echter: het in dienst nemen gaat in tegenstelling tot bij het Ministerie van Justitie niet centraal: ieder ziekenhuis en andere gezonheidszorgvoorziening is vrij hoeveel g.v.-ers van welke denominatie men wenst aan te nemen. En die denominatie blijkt in belang af te nemen: er wordt primair gekeken naar brede kwaliteit en inzetbaarheid. Steeds minder ook worden g.v.-ers formeel ‘gezonden’; een organisatie als de BZI is ook nauwelijks nodig. Steeds meer is accreditatie van belang (zie hieronder)
Zo zijn er nu ook al (mij bekend) g.v.-ers werkzaam in de gezondheidszorg die boeddhist zijn of daar duidelijke affiniteit mee hebben, maar formeel dominee zijn. Nu heb ik zelf helemaal niets met het Christendom maar mijn indruk is dat ze het goed doen.
Ik ken geen enkel behoefteonderzoek naar BGV in de diverse werkvelden van de gezondheidszorg
(d) Vrijgevestigde geestelijk verzorgers
Dit is een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling. Over het aantal is nog niets te zeggen: er zijn er zoveel nodig als er markt voor deze ZZP-ers is. Van een zendende instantie is helemaal geen sprake, wel (althans dat is gewenst) van accreditatie, zie hieronder.
De website van de VU suggereert dat een afgestudeerde ook geestelijk verzorger in het bedrijfsleven of het onderwijs kan worden, daarover heb ik geen verdere informatie kunnen vinden.
Samenvattend:
Als in 2015 of daarna afgestudeerde boeddhistisch geestelijk verzorgers een baan zoeken, maken ze daarvoor bij gezondheidszorg-instellingen de meeste kans. Hoe groot die kans is: geen idee.
3. De eisen van de VGVZ en de SKGV
VGVZ: Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen
SKGV: Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers
Vereniging en stichting stellen eisen aan wie men geestelijk verzorger en opleider tot geestelijk verzorger wil noemen. Beide zijn onafhankelijk van levensbeschouwelijke organisaties, van overheden en van zorginstellingen. Zie hier en hier
Wat mij het proberen waard lijkt, is te kijken hoe en waar aan deze beroepseisen de bovengenoemde boeddhistische principes gekoppeld kunnen worden.
Uit de ‘beroepsstandaard’ van de VGVZ (zie hier)
“Geestelijke verzorging in en vanuit zorginstellingen is:
* de professionele en ambtshalve begeleiding van en hulpverlening aan mensen bij hun zingeving en spiritualiteit, vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging en
* de professionele advisering inzake ethische en/of levensbeschouwelijke aspecten in zorgverlening en beleidsvorming.”
Het “en spiritualiteit” is in een recente versie toegevoegd, voor het boeddhisme relevant! De toelichting daarop (pagina 9) is een aanrader. De eerste zin ervan: “Het begrip spiritualiteit verwijst naar processen van innerlijke omvorming. Spiritualiteit laat zich omschrijven met termen als bezieling, transcendentie, verbondenheid en verdieping. Spiritualiteit betreft niet alleen mensen die een bepaalde religie aanhangen. ...”
Een andere passage uit deze toelichting:
“Vanuit en op basis van geloofs- en levensovertuiging
.... Het zal niet altijd en overal mogelijk zijn pluriformiteit optimaal te realiseren. Dit zou kunnen leiden tot versnippering van de beschikbare personeelsformatie voor geestelijke verzorging en dit komt de herkenbare aanwezigheid in en betrokkenheid bij de instelling niet ten goede. Geestelijk verzorgers zijn breed inzetbaar voor patiënten van alle levensbeschouwelijke achtergronden. Dat een geestelijk verzorger staat in dezelfde levensbeschouwelijke traditie als de patiënt kan voor de laatste een meerwaarde hebben.
Wanneer een patiënt vraagt naar een ambtsdrager van de eigen denominatie, verwijst de
geestelijk verzorger hem door naar de desbetreffende collega geestelijk verzorger in dezelfde instelling, mits deze natuurlijk beschikbaar is, of h/zij maakt zonodig afspraken over inzet en eventuele vergoeding van ambtsdragers van buiten de zorginstelling.”
Verder wordt (pag. 10) ook de rol van een geestelijk verzorger op het vlak van de ethische advisering van de zorginstelling waar zij of hij werkzaam is, genoemd. Gezien de toenemende euthanasie-discussie ook voor boeddhisten relevant.
Over de opleidingseisen (zie onder) wordt gezegd:
“Deze opleidingseisen waarborgen twee belangrijke kwaliteiten van de geestelijk verzorger; namelijk, dat deze
a. in staat is tot tweede reflectie, dat wil zeggen dat h/zij de eigen vooronderstellingen en uitgangspunten onderkent; en
b. dat h/zij breed inzetbaar is, dus ook voor mensen van andere dan de eigen levensbeschouwelijke richting.”
Over het ambtshalve karakter van dit beroep:
“De geestelijk verzorger heeft als ambtsdrager een identiteit die gelegitimeerd is door een maatschappelijk erkend levensbeschouwelijk genootschap. Die identiteit kan weliswaar worden onderscheiden, maar niet los gezien van de professionaliteit.
Voor de VGVZ is het ambtshalve aspect van belang, omdat het domein van de geestelijke
verzorging (zingeving) nooit 'neutraal' is en altijd vraagt om een positiebepaling van de geestelijk verzorger. De geestelijk verzorger heeft daarbij altijd een open houding naar andere levensbeschouwingen. Een authentieke omgang met de eigen levensbeschouwing is daarvoor noodzakelijk. Het ambt en de eigen spiritualiteit behoren zo tot het hart van de professionele identiteit.”
Ik hoop dat de BUN te zijner tijd deze en verder boven geciteerde uitspraken voor haar rekening wenst te nemen; vermoedelijk is hierop in BUN-kring tot nu toe niet gereflecteerd.
De SKGV is een onafhankelijke stichting die het beroepsregister van geestelijk verzorgers in zorginstellingen beheert en die beroepsopleidingen (zoals die van de VU) accrediteert.
Ten behoeve daarvan is een toetsingskader vastgelegd, gebaseerd op boven beschreven beroepsstandaard van de VGVZ, zie hier .
Het ‘toetsingskader’ bevat een grote serie noodzakelijk aanwezige kernkwaliteiten; deels kennis, vaardigheden en houding en deels professioneel en (voor ons relevant) ambtelijk. Te veel om op te noemen, maar zeer lezenswaardig.
Verder bevat het toetsingskader een serie Beoordelingscriteria voor initiële opleidingen. Ik neem aan dat de toekomstige VU-opleiding daaraan voldoet; immers de (VU) master Geestelijke Zorg in Organisaties en de master Islamitisch geestelijk verzorger zijn al door de SKGV geaccrediteerd.
Een rijke oogst, vind ik, om boeddhistische principes aan het beroep geestelijk verzorger te koppelen.
Het is nog veel werk, dit precies te doen. Iets voor een scriptie?
4. BGV in andere landen
Ik beperk me, omdat daarover het meeste te vinden is, tot (de opleiding in) de V.S.; de bronnen heb ik nog maar oppervlakkig bekeken.
Buddhist Chaplains Network
De site van een amerikaanse netwerk van boeddhistische chaplains.
Veel pagina’s met omschrijving van wat het beroep is, vakliteratuur enzovoorts.
Buddhist chaplains
Een met bovengenoemde vergelijkbare (waarschijnlijk kleinere) organisatie. Vooral om de persoon van ene Jennifer Block, een Buddhist chaplain in San Francisco.
Van haar is een mooi artikel opgenomen over wat dit beroep in houdt: hier .
Upaya training chaplaincy
Een opleiding onder verantwoordelijkheid van de ook in Nederland bekende Joan Halifax Roshi.
De opleiding biedt “a two-year Certificated Buddhist Chaplaincy Training Program in Prison, End-of-Life-Care, Peacemaking, Youth, Women’s and Environmental Ministry. The training is open to those who wish to be ordained as Buddhist Chaplain Priests, Lay Chaplains, and also those who wish to deepen their understanding of service from the Buddhist and systems perspective.”
Niet helemaal vergelijkbaar met wat men in Nederland onder BGV verstaat, maar wel inspirerend.
Opleiding door de University of the West
Van de Rev. Danny Fisher. De universiteit biedt een opleiding tot Master of Divinity in Buddhist Chaplaincy.
“About the Program. The Buddhist Chaplaincy program provides students with the necessary knowledge and skills to excel as Buddhist practitioners working in the field of professional chaplaincy. The program is designed to meet the needs of those who wish to engage in spiritual care and counseling work and become properly trained and certified professionals. The program incorporates the requirements of the Association of Professional Chaplains (APC)”
Opleiding van het Institute voor Buddhist Studies
Ook hun opleiding tot buddhist chaplain refereert aan de eisen van bovengenoemde APC
De beroepsinhoudelijke cursus ‘buddhist chaplaincy’ is uitbesteed (als ik het goed begrijp) aan het ‘Sati Center Buddhist Chaplaincy Training Program’, zie hier .
Naropa, het beroemde (of beruchte) instituut ooit opgericht door Chögyam Trungpa biedt o.a.: “The Master of Divinity degree prepares people for professional work in the fields of pastoral care, Buddhist chaplaincy and/or interfaith chaplaincy, dharma teaching and community development. This three-year program is firmly grounded in Buddhist Studies concerning both its philosophy and its practice of meditation practice, and strongly emphasizes an interreligious approach to individual and community care, and a pluralistic view of working with life and diversity.” Zie hier.
Eén onderdeel is apart het vermelden waard: “Interfaith Pastoral Care Training — the ability to serve the spiritual and human needs of a diverse community in a ministerial/chaplaincy role while embodying the principles and practices of one’s primary tradition”.
In deze bronnen heb ik diverse flarden gevonden van boeddhistische principes die ook bruikbaar zijn voor het beroep BGV in Nederland, maar niet systematisch genoeg om daar een rijtje van te maken. Misschien iets voor een scriptie?
Als zijlijn, een voorbeeld van activistische ‘chaplains’ komt uit de Occupy-beweging in de VS verleden jaar waar ook chaplains (in opleiding) zichtbaar actief waren, zie de jizochronicles. Ik hoop dat ook in Nederland het durven uitsteken van de nek onderdeel van een BGV-opleiding zal zijn.
5. De VU-opleiding voor BGV-ers of Boeddhistische Ambtsdragers
Hierover heb ik eerder geschreven, zie hier .
Van belang is de 'Update BZI - november 2011' zoals te vinden op de website van de BUN, het stuk geaccepteerd door de BUN-ledenvergadering. Een citaat:
“Ambtsopleiding boeddhisme ...
Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.
Meer dan de bachelor/master opleiding zal deze ambtsopleiding onder toezicht komen te staan van erkende Boeddhadharmaleraren in Nederland. De VU blijft echter verantwoordelijk voor de inhoud en het niveau van het onderwijs. Afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft. Deze studenten zullen worden ingeschreven in een ambtsregister.
Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen. ...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. .... “
6. Hoe verhoudt deze intentie (waar de ledenvergadering van de BUN november 2011 zonder discussie mee ingestemd heeft) zich met de overeenkomst tussen de VU en de BZI, gesloten 31 maart 2012 ? (zie hier )
Eigenlijk komen de geciteerde punten uit de ‘Update’ van november 2011 helemaal niet aan de orde in de ‘overeenkomst’.
[Terzijde: de ‘overeenkomst’ spreekt in punt 1.2 over een “... aanvullende brief van het Bestuur van de BUN van 16 januari 2012.”; aanvullend op het – ongetekende – delegatiebesluit van 3 april 2009. Deze aanvullende brief is echter niet gepubliceerd]
Er staat bv in de overeenkomst: “1.4, De studenten van de (ambts)opleiding schrijven zich in bij de VU.”; de ‘boeddhadharmaleraren’ (ik vind het een raar en te lang woord) lijken geen rol te spelen bij deze inschrijving.
Wat er gebeurt met de afgestudeerden, komt in de overeenkomst niet aan de orde. De opvatting van de BZI (en van BUN): “afgestudeerden van deze opleiding krijgen dan ook alleen het predicaat van “buddhist chaplain” met de uitdrukkelijke toestemming (zendingsbrief) van de leraar in de traditie waar de student zich bij aangesloten heeft” komt in de overeenkomst niet voor. Dat kan ik me voorstellen: een student afhankelijk maken van de beslissing van één persoon over een paar jaar is juridisch nogal gammel; daar waagt de VU zich niet aan, denk ik.
Het toezicht van de “Boeddhadharmaleraren“ kan hoogstens vorm krijgen in de uitgebreid omschreven ‘curriculum-commissie’ maar komen daar, als ik de overeenkomst begrijp, niet expliciet in voor.
Komt er, zoals gebruikelijk is bij protestante ambtsopleidingen nog een apart ‘kerkelijk examen’ na het universitaire examen? Daarover zwijgt de overeenkomst.
Dat brengt me bij een andere vraag en een verwant thema:
7. Hoe verhoudt de intentie (van VU en BZI) voor een aldus vormgegeven ambtsopleiding zich met de intentie van de Minister van Onderwijs bij de subnsidieregeling waarvan de VU/BZI gebruik willen maken?
De 'overeenkomst' noemt de regeling (HO&S 2010/214378; juli 2010). Politiek is het bekend als Kamerstuk 31821 nr. 80. (zie hier ).
De regeling geeft als definitie “Ambtsopleidingen zijn opleidingstrajecten tot ambtsdragers of voorgangers in een geloofsovertuiging.”
Dat is merkwaardig: de ‘Update’ van de BZI uit november 2011 benadrukt nu juist dat de beoogde ambtsopleiding géén ‘voorgangers’, (het protestant-christelijke woord voor ‘leraren’) opleidt.
De vraag is dus of de gewenste opleiding wel uit de subsidieregeling van het ministerie van Onderwijs, bedoeld in de overeenkomst, gefinancierd mag en kan worden.
Al eerder heb ik het ministerie daar vragen over gesteld (zie m’n blog ) Het antwoord dat ik 27 juni 2011 ontving, luidde:
“Het antwoord op uw eerste vraag is dat er bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geen verzoek loopt voor financiering van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger. Dat maakt het antwoord op de overige vragen overbodig.
Wat betreft de informatie die u nog in uw brief verstrekt: die zal – net als de informatie die u eerder verstrekte - bij de behandeling van een eventueel verzoek om financiering in de overwegingen worden meegenomen. “
Eén van m’n vragen was en is hoeveel boeddhisten er volgens de VU er in Nederland zijn: minder dan 75 duizend, meer dan 150 duizend of daar tussen in: een aantal, bepalend voor de hoogte van de mogelijke subsidie. En zal het Ministerie de VU geloven als die – op gezag van de BZI – stelt dat er bv 170 duizend zijn?
Misschien kan het ministerie nu antwoord geven op deze vragen.
Want dit mag toch wel openbaar zijn?
8. Tot slot herhaal ik een suggestie, in februari gedaan:
Als het twijfelachtig blijft of er echt behoefte is aan expliciete boeddhistisch geestelijke verzorging in de gezondheidszorg,
en als het twijfelachtig blijft of een door de VU te starten ambtsopleiding er in 2013 kan komen,
en als het twijfelachtig blijft hoe de bestuurlijke toekomst van BUN en BZI er uit gaat zien,
zou het veel logischer zijn en minder verspilling van middelen betekenen als er een
korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de zorgsectoren werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier .
Iets voor de VU misschien?
En incidenteel kunnen dan daarnaast – net als nu – zorginstellingen boeddhistische leraren op afroep vragen geestelijke verzorging aan een van hun clienten of patiënten te geven.
Update van 20 mei
In oktober dit jaar verschijnt het (mij bekende) eerste boek specifiek gewijd aan BGV:
"The Arts of Contemplative Care", bij Wisdom Books
Synopsis:
Due October 2012. This work collects the voices of pioneers in the exciting new domain of vocational Buddhism. This anthology captures the richness and diverse practices of socially engaged Buddhism within the context of the fields of chaplaincy and ministry that until recently were dominated primarily by Judeo-Christian faith traditions. The stories in this volume reveal to the reader how the practices and concepts of the Buddhist tradition are uniquely suited to nourishing both those who give and those who receive care. This book will inspire readers to apply their spiritual practice in engaged contexts and will provide nourishment to those called to serve as caregivers.
"This inspiring collection marks the coming of age of Buddhist chaplaincy. It will be the principal handbook for such ministries in the years to come." Christopher Queen, editor Engaged Buddhism in the West.
"A must-read for caregivers - a treasure trove of practical wisdom." Fleet Maull, founder of the Prison Dharma Network and National Prison Hospice Association.
"Destined to become the core text of Buddhist chaplaincy. A radical and wise offering to the world." Noah Levine.
woensdag 4 april 2012
Een enkeltje BUN; bijdrage aan de evaluatie als zendende instantie voor Justitie
Afgelopen februari schreef ik een aantal blogs over de boeddhistisch geestelijke verzorging (BGV), de opleiding daartoe, de rol van de BUN daarin en de evaluatie daarvan.
Sindsdien hebben m’n collega’s van http://openboeddhisme.nl veel informatie opgeduikeld en gepubliceerd over de achtergrond van de BGV bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Eén van die vondsten was dat erkenning van de BUN door Justitie en het in dienst nemen van academisch gevormde BGV-ers wettelijk gezien helemaal niet nodig was en is.
Zie als meest recente tekst .
In de reacties van lezers is er een discussie over de vraag of een universitaire opleiding (master plus ambtsopleiding) voor het goed kunnen geven van geestelijke verzorging wel nodig is. Men tendeert naar het overbodig verklaren daarvan, in plaats daarvan wordt de juiste attitude (‘het hart op de juiste plaats hebben’) doorslaggevend geacht om goed steun te kunnen bieden. In zekere zin is dat in lijn van de boeddhistische traditie dat studie, en zeker een intellectuele benadering van de Dharma, niet tot wijsheid leidt. Bijna geen van de leraren van sangha’s in Nederland heeft een academische opleiding, en zeker niet als boeddhistisch geestelijk verzorger; dat is om leraar te kunnen zijn geen probleem, en dus ook niet om in dat kader raadsman of raadsvrouw van een leerling te kunnen zijn. Maar formeel werd het dat door de eisen van Justitie – waarin hoogstwaarschijnlijk het toenmalige BUN-bestuur zelf de hand heeft gehad – wel.
Eerlijk gezegd sta ik nogal ambivalent tegenover deze opleidings-thematiek.
Aan de ene kant vind ik het zijn van geestelijk verzorger een professie waarvoor een formele opleiding hoort met als onderdeel daarin niet alleen toetsing van kennis maar ook van bekwaamheden. Daarom is het goed dat er een beroepsvereniging van geestelijk verzorgers is (de VGVZ) en kwaliteitsregister geestelijk verzorgers en opleidingen. Ik vind dus de eis van Justitie dat uiterlijk november 2011 een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar had moeten zijn, terecht. Alleen begrijp ik niet waarom de V.U. bij het voorbereiden van de start daarvan (op z’n vroegst als master september 2013, dus twee jaar te laat) gebruik gaat maken van het fenomeen ‘ambtsopleiding’, bedoeld voor dominee’s en daarmee vergelijkbare functies (ik begrijp alleen dat de V.U. denkt daarmee extra geld van het ministerie van Onderwijs te verkrijgen)
Aan de andere kant heeft de keus van Justitie en de BUN ruim drie jaar geleden om een beperkt aantal BGV-ers aan te stellen grote nadelen. Lang niet alle boeddhistische tradities en subtradities hebben daarmee iemand van de eigen cultuur als BGV-er. Het maatwerk van de wettelijke regeling uit 2002, aangepast in 2007 had veel voordelen, met name het flexibele ervan, ook boeddhisten zonder universitaire opleiding kunnen daarmee voor bepaalde gedetineerden BGV-er zijn. Waarom is dan niet van deze regeling gebruik gemaakt? Het belang van de (Directie) Dienst Geestelijke Verorging en een aantal individuele boeddhisten heeft tot een andere keus geleid: die van de noodzakelijke erkenning door Justitie van de BUN.
Juist het bestaan van allerlei organisatie- en eigen-belangen heeft een goede discussie over deze thematiek verhinderd.
De hoop was er op gevestigd dat de noodzakelijke evaluatie van de tijdelijke erkenning, zoals vastgelegd november 2008, tot verheldering zou leiden.
Deze evaluatie wordt op dit moment door het instituut KASKI uitgevoerd.
Helaas is niet duidelijk wat precies de vraagstelling bij dit onderzoek is, welke literatuur bestudeerd wordt en wie geïnterviewd wordt, ik vrees: alleen de leden van de BUN.
Dit alles als inleiding tot een brief van mij gedateerd 3 april 2012 aan het KASKI die ik hieronder weergeef. Ik heb gebruik gemaakt van vragen die kennelijk leidraad zijn van het KASKI bij hun interviews.
Aan het KASKI, t.a.v.
dr. Ton Bernts,
prof. dr. Paul van der Velde
drs. Joris Kregting
Betreft: Evaluatie boeddhistische geestelijke verzorging
Geachte heren
Hoewel ik mezelf wel had aangemeld voor een gesprek ten behoeve van de evaluatie van de ‘erkenning’ van de Boeddhistische Unie Nederland door de minister van Veiligheid en Justitie, heb ik nog geen uitnodiging van u gekregen.
Terwille van de tijd lijkt het me handzamer dat ik uw vragen schriftelijk beantwoord. Het lijkt me ook niet nodig of wenselijk deze inhoudelijke reactie via de directeur DGV van DJI te spelen.
1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben in totaal vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000
Het totale aantal boeddhisten in Nederland is zeer moeilijk te schatten, vermoedelijk is het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal. Ook het Commissariaat voor de Media is bij haar besluitvorming over de aanvraag van een omroeplicensie in 2009 tot een schatting van die grootteorde gekomen.
Dat betekent dat de BUN slechts zo’n zes procent van de boeddhisten in Nederland representeert. Pogingen van diverse ongebonden boeddhisten, hier verbetering in aan te brengen hebben in de periode van 2009 tot nu geen enkel effect gesorteerd.
2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?Vast wel, maar expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.
3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?Nee. Bij allerlei ontwikkeling staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om.
Ook in de ontwikkeling van een academische opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger bij de V.U. lijken allerlei belangen een rol te spelen, maar de BUN is slechts toeschouwer. Overigens is er nog geen opleiding in de zin van master plus ambtsopleiding aangevraagd, slechts een zeer generieke en niet op geestelijke verzorging gerichte bachelor. Dat de BUN zich daar zorgen over maakt, is nergens uit af te leiden.
Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl/
4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?Nee. Hoewel ik niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet, tot welke traditie ze behoren, is het duidelijk dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is.
Ethnische boeddhisten, met name degenen met Chinese, Vietnamese en Thaise wortels kunnen geen geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.
5. Is er voldoende aandacht voor de wensen, behoeften en respons van de boeddhistische ingeslotenen?Naar mijn inschatting niet. Zie m’n antwoord op vraag 4
Hopenlijk zijn dit bruikbare antwoorden op uw vragen
Indien u nog aanvullende informatie van mij wilt ontvangen, wil die graag proberen te geven
Hoogachtend
Joop Romeijn
....(adres)
Sindsdien hebben m’n collega’s van http://openboeddhisme.nl veel informatie opgeduikeld en gepubliceerd over de achtergrond van de BGV bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Eén van die vondsten was dat erkenning van de BUN door Justitie en het in dienst nemen van academisch gevormde BGV-ers wettelijk gezien helemaal niet nodig was en is.
Zie als meest recente tekst .
In de reacties van lezers is er een discussie over de vraag of een universitaire opleiding (master plus ambtsopleiding) voor het goed kunnen geven van geestelijke verzorging wel nodig is. Men tendeert naar het overbodig verklaren daarvan, in plaats daarvan wordt de juiste attitude (‘het hart op de juiste plaats hebben’) doorslaggevend geacht om goed steun te kunnen bieden. In zekere zin is dat in lijn van de boeddhistische traditie dat studie, en zeker een intellectuele benadering van de Dharma, niet tot wijsheid leidt. Bijna geen van de leraren van sangha’s in Nederland heeft een academische opleiding, en zeker niet als boeddhistisch geestelijk verzorger; dat is om leraar te kunnen zijn geen probleem, en dus ook niet om in dat kader raadsman of raadsvrouw van een leerling te kunnen zijn. Maar formeel werd het dat door de eisen van Justitie – waarin hoogstwaarschijnlijk het toenmalige BUN-bestuur zelf de hand heeft gehad – wel.
Eerlijk gezegd sta ik nogal ambivalent tegenover deze opleidings-thematiek.
Aan de ene kant vind ik het zijn van geestelijk verzorger een professie waarvoor een formele opleiding hoort met als onderdeel daarin niet alleen toetsing van kennis maar ook van bekwaamheden. Daarom is het goed dat er een beroepsvereniging van geestelijk verzorgers is (de VGVZ) en kwaliteitsregister geestelijk verzorgers en opleidingen. Ik vind dus de eis van Justitie dat uiterlijk november 2011 een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar had moeten zijn, terecht. Alleen begrijp ik niet waarom de V.U. bij het voorbereiden van de start daarvan (op z’n vroegst als master september 2013, dus twee jaar te laat) gebruik gaat maken van het fenomeen ‘ambtsopleiding’, bedoeld voor dominee’s en daarmee vergelijkbare functies (ik begrijp alleen dat de V.U. denkt daarmee extra geld van het ministerie van Onderwijs te verkrijgen)
Aan de andere kant heeft de keus van Justitie en de BUN ruim drie jaar geleden om een beperkt aantal BGV-ers aan te stellen grote nadelen. Lang niet alle boeddhistische tradities en subtradities hebben daarmee iemand van de eigen cultuur als BGV-er. Het maatwerk van de wettelijke regeling uit 2002, aangepast in 2007 had veel voordelen, met name het flexibele ervan, ook boeddhisten zonder universitaire opleiding kunnen daarmee voor bepaalde gedetineerden BGV-er zijn. Waarom is dan niet van deze regeling gebruik gemaakt? Het belang van de (Directie) Dienst Geestelijke Verorging en een aantal individuele boeddhisten heeft tot een andere keus geleid: die van de noodzakelijke erkenning door Justitie van de BUN.
Juist het bestaan van allerlei organisatie- en eigen-belangen heeft een goede discussie over deze thematiek verhinderd.
De hoop was er op gevestigd dat de noodzakelijke evaluatie van de tijdelijke erkenning, zoals vastgelegd november 2008, tot verheldering zou leiden.
Deze evaluatie wordt op dit moment door het instituut KASKI uitgevoerd.
Helaas is niet duidelijk wat precies de vraagstelling bij dit onderzoek is, welke literatuur bestudeerd wordt en wie geïnterviewd wordt, ik vrees: alleen de leden van de BUN.
Dit alles als inleiding tot een brief van mij gedateerd 3 april 2012 aan het KASKI die ik hieronder weergeef. Ik heb gebruik gemaakt van vragen die kennelijk leidraad zijn van het KASKI bij hun interviews.
Aan het KASKI, t.a.v.
dr. Ton Bernts,
prof. dr. Paul van der Velde
drs. Joris Kregting
Betreft: Evaluatie boeddhistische geestelijke verzorging
Geachte heren
Hoewel ik mezelf wel had aangemeld voor een gesprek ten behoeve van de evaluatie van de ‘erkenning’ van de Boeddhistische Unie Nederland door de minister van Veiligheid en Justitie, heb ik nog geen uitnodiging van u gekregen.
Terwille van de tijd lijkt het me handzamer dat ik uw vragen schriftelijk beantwoord. Het lijkt me ook niet nodig of wenselijk deze inhoudelijke reactie via de directeur DGV van DJI te spelen.
1. Vertegenwoordigt de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) voldoende groeperingen uit de boeddhistische gemeenschap?
Nee. De leden van de BUN hebben in totaal vermoedelijk een achterban in de grootteorde van 10.000
Het totale aantal boeddhisten in Nederland is zeer moeilijk te schatten, vermoedelijk is het gemiddelde van diverse schattingen - 170.000 – een bruikbare aantal. Ook het Commissariaat voor de Media is bij haar besluitvorming over de aanvraag van een omroeplicensie in 2009 tot een schatting van die grootteorde gekomen.
Dat betekent dat de BUN slechts zo’n zes procent van de boeddhisten in Nederland representeert. Pogingen van diverse ongebonden boeddhisten, hier verbetering in aan te brengen hebben in de periode van 2009 tot nu geen enkel effect gesorteerd.
2. Is de BUN goed toegankelijk voor nieuwe lidorganisaties?Vast wel, maar expliciet niet voor individuele boeddhisten, en dat zijn er heel wat meer dan de aan een organisatie verbonden boeddhisten.
3. Vervult de BUN een effectieve rol voor de boeddhistische gemeenschap, zowel intern als naar de Nederlandse samenleving?Nee. Bij allerlei ontwikkeling staat (het bestuur van) de Boeddhistische Unie op de zijlijn te kijken. Bijvoorbeeld bij de onvermijdelijke fusie in de omroepwereld van de Boeddhistische Omroep Stichting met de VPRO heeft het BUN-bestuur geen enkele regie-functie.
Boeddhistische tijdschriften en internet-websites en blogs ontwikkelen zich geheel buiten het bestuur van de BUN om.
Ook in de ontwikkeling van een academische opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger bij de V.U. lijken allerlei belangen een rol te spelen, maar de BUN is slechts toeschouwer. Overigens is er nog geen opleiding in de zin van master plus ambtsopleiding aangevraagd, slechts een zeer generieke en niet op geestelijke verzorging gerichte bachelor. Dat de BUN zich daar zorgen over maakt, is nergens uit af te leiden.
Een zwaktebod is ook dat het bestuur expliciet niet reageert op publicaties en vragen van de media, bijvoorbeeld van het webmagazine http://openboeddhisme.nl/
4. Doet het aanbod en/of de achtergrond van de boeddhistische geestelijke verzorgers recht aan de diverse stromingen en etniciteiten binnen het boeddhisme, en is divers qua mannen en vrouwen?Nee. Hoewel ik niet exact van alle op dit moment in dienst van Justitie zijnde boeddhistisch geestelijk verzorgers weet, tot welke traditie ze behoren, is het duidelijk dat Zen zwaar oververtegenwoordigd is.
Ethnische boeddhisten, met name degenen met Chinese, Vietnamese en Thaise wortels kunnen geen geestelijk verzorger krijgen die hun taal spreekt en hun specifieke traditie en cultuur kent.
5. Is er voldoende aandacht voor de wensen, behoeften en respons van de boeddhistische ingeslotenen?Naar mijn inschatting niet. Zie m’n antwoord op vraag 4
Hopenlijk zijn dit bruikbare antwoorden op uw vragen
Indien u nog aanvullende informatie van mij wilt ontvangen, wil die graag proberen te geven
Hoogachtend
Joop Romeijn
....(adres)
woensdag 22 februari 2012
Een voorbereidende vervolgopleiding boeddhisme
Een maand geleden schreef ik over de bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme die de VU vanaf september dit jaar gaat geven (zie hier).
Daarin schreef ik o.a. “Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme. Informatie daarover moet nog komen”
Die informatie is er nu, maar zeer summier. Sinds een paar dagen staat op de website van de VU wat de "premaster specialisatie boeddhisme" in houdt.
De inhoud van deze pagina, het jaarprogramma dus, is:
Periode 1 - Godsdienstfilosofie 6EC
Periode 2 - Drie tradities 1: Theravada 6EC
Periode 3 - Wetenschapsfilosofie van de religie 3EC
Periode 4 - Drie tradities 2: Mahayana/ Chan-Zen
Periode 5 - Drie tradities 3: Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme 6EC
Periode 6 - Premasterthese 3EC
Meer informatie heb ik niet kunnen vinden, ook niet over welke vooropleiding vereist is om tot deze premaster toegang te hebben. De link naar “Meer informatie over inschrijving“ op de volgende pagina [werkte op 22 februari nog niet, de 29e inmiddels wel maar geeft over de premaster boeddhisme geen nadere informatie].
Ter vergelijking, bij de premaster Islam staat er:
"Voor toelating tot de Master Theology and Religious Studies, Islamitische Geestelijke Zorg (IGZ) en Verdieping Islam (VI) geldt aanvullend op het premasterprogramma Arabisch (21EC) en koranrecitatie en memorisatie (9EC) als ingangseis. Toelating geschiedt via een geschiktheidcommissie"
Zou iets vergelijkbaars ook niet voor de premaster boeddhisme moeten gelden?
Dat wil zeggen, het kunnen reciteren van boeddhistische geschriften in hun oorspronkelijke taal (Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans) is niet zo zinvol in het Westen. Maar enige kennis ervan mag toch wel worden verondersteld?
Het is een seculiere opleiding, dus het boeddhist zijn (bijvoorbeeld het ‘Toevlucht’ hebben genomen) mag geen eis zijn, maar het van binnenuit iets ervaren hebben van de beoefening is toch niet teveel gevraagd?
Over een ‘geschiktheidscommissie’ voor toelating tot de premaster boeddhisme heb ik het maar niet, want wie zou daar (“in Boeddha’s naam”) in moeten zitten?
En dan de inhoud van de premaster.
Het onderscheid in de drie tradities (Theravada, Mahayana en Vajrayana) is nogal standaard. Maar moet er ook niet apart aandacht worden besteed aan wat “Westers boeddhisme” wordt genoemd? Want al is dat in feite een allegaartje, het wel overwegend het in Nederland reeel bestaande boeddhisme.
En wat wordt bedoeld met “Mahayana/ Chan-Zen”? Omdat er onder staat “Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme” vrees ik dat het gelezen moet worden als: “Chan/Zen” is een ander woord voor “Mahayana”. Andere vormen van Mahayana, zoals bijvoorbeeld beoefend door in Nederland wonende Chinezen, krijgen dan geen aandacht.
Vragen, vragen
Maar de belangrijkste vraag is toch wel: waartoe leidt deze premaster? (‘Waartoe’, een bekende VU-vraag)
Op de website van de VU is geen enkele informatie te vinden over een master boeddhisme die in september 2013 zou gaan starten. Informeel, d.w.z. in een soort persbericht over de bachelor-voorlichtingsdag afgelopen 11 februari zegt de VU: “Tijdens deze voorlichting zal je, naast ... , geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Omdat het daadwerkelijk beschikbaar zijn van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger medebelissend is voor het wel of wel erkennen van de BUN door het ministerie van Justitie (de voorlopige erkenning wordt op dit moment geëvalueerd, zie hier) een nogal urgente vraag.
Helaas heeft de BZI haar toezegging “Vanuit de BZI zullen we eenieder de komende tijd nauwgezet op de hoogte blijven houden van de komende ontwikkelingen betreffende dit alles” van november 2011 niet waargemaakt.
Toch nog een vervolgvraag. Stel dat de master (plus ambtsopleiding) boeddhistisch geestelijk verzorger er september 2013 zou komen, wie zou daar dan toegelaten kunnen worden? Degenen die de premaster hebben gevolgd uiteraard. Maar verder? Afgestudeerden van de bachelor boeddhisme zijn er op z’n vroegst zomer 2015.
Eigenlijk zou het een veel meer organische ontwikkeling zijn als die master in 2015 gaat starten, maar ja die eis van Justitie, die lijkt nogal dominant....
Toch, los van die druk van de overheid, zou het geen tijdverlies zijn als die master pas in 2015 start. In die tijd zou nagedacht kunnen worden over de vraag wat boeddhistisch geestelijk verzorging eigenlijk is; of zou moeten zijn, want in de oorspronkelijke Aziatische vorm van het boeddhisme bestaat die functie eigenlijk niet. In het Westen is er wel wat ervaring met ‘buddhist chaplaincy’, maar een vertaalslag naar de Nederlandse situatie moet nog gemaakt worden; ik heb tenminste niet één inhoudelijke tekst daarover gelezen.
En die tijd zou besteed kunnen worden met het uitvoeren van een onderzoek naar boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsecor; die zou op z’n minst uit twee delen moeten bestaan
- Hoeveel van de bewoners/cliënten/patiënten in de zorgsector zijn boeddhist of hebben in sterke mate affiniteit tot het boeddhisme? En tot welke traditie behoren ze, of zijn ze traditieloos?
- Hoeveel van hen wil persé geestelijke verzorging door een boeddhist, door een BGVer?
Het zou weleens kunnen dat dat laatste getal nogal klein is; men wil waarschijnlijk kwaliteit, persoonlijke betrokkenheid en een niet-dogmatische (religieuze) attitude van de geestelijk verzorger. In dat geval zou het veel logischer zijn en minder verspilling van overheidsmiddelen betekenen als er een korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de sector werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier.
Iets voor de VU misschien?
PS
Een maand geleden, na het uitkomen van mijn boven genoemde blog, heb ik de voorzitter van de BZI gevraagd of er feitelijke onjuistheden in die tekst stonden. In dat geval zou ik uiteraard corrigeren, schreef ik. Op deze mail heb ik echter geen reactie ontvangen.
Daarin schreef ik o.a. “Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme. Informatie daarover moet nog komen”
Die informatie is er nu, maar zeer summier. Sinds een paar dagen staat op de website van de VU wat de "premaster specialisatie boeddhisme" in houdt.
De inhoud van deze pagina, het jaarprogramma dus, is:
Periode 1 - Godsdienstfilosofie 6EC
Periode 2 - Drie tradities 1: Theravada 6EC
Periode 3 - Wetenschapsfilosofie van de religie 3EC
Periode 4 - Drie tradities 2: Mahayana/ Chan-Zen
Periode 5 - Drie tradities 3: Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme 6EC
Periode 6 - Premasterthese 3EC
Meer informatie heb ik niet kunnen vinden, ook niet over welke vooropleiding vereist is om tot deze premaster toegang te hebben. De link naar “Meer informatie over inschrijving“ op de volgende pagina [werkte op 22 februari nog niet, de 29e inmiddels wel maar geeft over de premaster boeddhisme geen nadere informatie].
Ter vergelijking, bij de premaster Islam staat er:
"Voor toelating tot de Master Theology and Religious Studies, Islamitische Geestelijke Zorg (IGZ) en Verdieping Islam (VI) geldt aanvullend op het premasterprogramma Arabisch (21EC) en koranrecitatie en memorisatie (9EC) als ingangseis. Toelating geschiedt via een geschiktheidcommissie"
Zou iets vergelijkbaars ook niet voor de premaster boeddhisme moeten gelden?
Dat wil zeggen, het kunnen reciteren van boeddhistische geschriften in hun oorspronkelijke taal (Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans) is niet zo zinvol in het Westen. Maar enige kennis ervan mag toch wel worden verondersteld?
Het is een seculiere opleiding, dus het boeddhist zijn (bijvoorbeeld het ‘Toevlucht’ hebben genomen) mag geen eis zijn, maar het van binnenuit iets ervaren hebben van de beoefening is toch niet teveel gevraagd?
Over een ‘geschiktheidscommissie’ voor toelating tot de premaster boeddhisme heb ik het maar niet, want wie zou daar (“in Boeddha’s naam”) in moeten zitten?
En dan de inhoud van de premaster.
Het onderscheid in de drie tradities (Theravada, Mahayana en Vajrayana) is nogal standaard. Maar moet er ook niet apart aandacht worden besteed aan wat “Westers boeddhisme” wordt genoemd? Want al is dat in feite een allegaartje, het wel overwegend het in Nederland reeel bestaande boeddhisme.
En wat wordt bedoeld met “Mahayana/ Chan-Zen”? Omdat er onder staat “Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme” vrees ik dat het gelezen moet worden als: “Chan/Zen” is een ander woord voor “Mahayana”. Andere vormen van Mahayana, zoals bijvoorbeeld beoefend door in Nederland wonende Chinezen, krijgen dan geen aandacht.
Vragen, vragen
Maar de belangrijkste vraag is toch wel: waartoe leidt deze premaster? (‘Waartoe’, een bekende VU-vraag)
Op de website van de VU is geen enkele informatie te vinden over een master boeddhisme die in september 2013 zou gaan starten. Informeel, d.w.z. in een soort persbericht over de bachelor-voorlichtingsdag afgelopen 11 februari zegt de VU: “Tijdens deze voorlichting zal je, naast ... , geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Omdat het daadwerkelijk beschikbaar zijn van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger medebelissend is voor het wel of wel erkennen van de BUN door het ministerie van Justitie (de voorlopige erkenning wordt op dit moment geëvalueerd, zie hier) een nogal urgente vraag.
Helaas heeft de BZI haar toezegging “Vanuit de BZI zullen we eenieder de komende tijd nauwgezet op de hoogte blijven houden van de komende ontwikkelingen betreffende dit alles” van november 2011 niet waargemaakt.
Toch nog een vervolgvraag. Stel dat de master (plus ambtsopleiding) boeddhistisch geestelijk verzorger er september 2013 zou komen, wie zou daar dan toegelaten kunnen worden? Degenen die de premaster hebben gevolgd uiteraard. Maar verder? Afgestudeerden van de bachelor boeddhisme zijn er op z’n vroegst zomer 2015.
Eigenlijk zou het een veel meer organische ontwikkeling zijn als die master in 2015 gaat starten, maar ja die eis van Justitie, die lijkt nogal dominant....
Toch, los van die druk van de overheid, zou het geen tijdverlies zijn als die master pas in 2015 start. In die tijd zou nagedacht kunnen worden over de vraag wat boeddhistisch geestelijk verzorging eigenlijk is; of zou moeten zijn, want in de oorspronkelijke Aziatische vorm van het boeddhisme bestaat die functie eigenlijk niet. In het Westen is er wel wat ervaring met ‘buddhist chaplaincy’, maar een vertaalslag naar de Nederlandse situatie moet nog gemaakt worden; ik heb tenminste niet één inhoudelijke tekst daarover gelezen.
En die tijd zou besteed kunnen worden met het uitvoeren van een onderzoek naar boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsecor; die zou op z’n minst uit twee delen moeten bestaan
- Hoeveel van de bewoners/cliënten/patiënten in de zorgsector zijn boeddhist of hebben in sterke mate affiniteit tot het boeddhisme? En tot welke traditie behoren ze, of zijn ze traditieloos?
- Hoeveel van hen wil persé geestelijke verzorging door een boeddhist, door een BGVer?
Het zou weleens kunnen dat dat laatste getal nogal klein is; men wil waarschijnlijk kwaliteit, persoonlijke betrokkenheid en een niet-dogmatische (religieuze) attitude van de geestelijk verzorger. In dat geval zou het veel logischer zijn en minder verspilling van overheidsmiddelen betekenen als er een korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de sector werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier.
Iets voor de VU misschien?
PS
Een maand geleden, na het uitkomen van mijn boven genoemde blog, heb ik de voorzitter van de BZI gevraagd of er feitelijke onjuistheden in die tekst stonden. In dat geval zou ik uiteraard corrigeren, schreef ik. Op deze mail heb ik echter geen reactie ontvangen.
zaterdag 28 januari 2012
Boeddhisme opleidingen bij de VU vanaf september Informatie en kommentaar
Op zaterdag 11 februari heeft de Vrije Universiteit (VU) een voorlichtingdag waar VWO-ers die mogelijk in september 2012 bij de VU willen gaan studeren. Zie hier
Elders las ik hier over: "Indien je meer wilt weten over deze boeiende opleiding , bezoek dan de voorlichtingsronde van 10.00-10.45 op de Bachelorvoorlichtingsdag, welke plaats vindt op 11 februari aan de Vrije Universiteit. Schrijf je in op www.vu.nl/bachelorvoorlichtingsdag."
Eén van de opleidingsvormen – een nieuwe – is bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme.
Op de website van de faculteit der Godgeleerdheid staat daarover onder andere het volgende:
“De bachelor-opleiding Religie en Levensbeschouwing traject Boeddhisme concentreert zich op de verschillende boeddhistische tradities die vanuit Azië naar het Westen zijn gekomen, vanuit de context van hun ontmoeting met de moderniteit, en hun dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities.
Deze bachelor-opleiding is een combinatie van boeddhistische vakken en seculiere religiestudie-vakken. Je leert niet alleen om religies met elkaar te vergelijken vanuit een wetenschappelijk perspectief, maar ook om tot een doorleefde verdieping van verschillende boeddhistische tradities te komen. Vanuit die verdieping kun je vervolgens als academisch gevormde boeddhisme-deskundige bijdrage aan de verdere integratie van het boeddhisme in de Nederlandse samenleving, en vanuit het boeddhisme meedenken over spirituele oplossingen voor maatschappelijke problemen in Nederland en daarbuiten.
Jouw profiel: Je wordt geraakt door het boeddhisme, hebt misschien al eens kennisgemaakt met meditatie, en zou je graag meer verdiepen in de diverse boeddhistische tradities. Je vindt het belangrijk om kennis te maken met de bronteksten uit die tradities. Je wilt begrijpen hoe ‘religie’ werkt. Je wilt het boeddhisme doordenken en in praktijk brengen in de huidige Europese context.”
En vervolgens:
“ Zo is de opleiding ingedeeld
In het eerste jaar van de bachelor wordt er een begin gemaakt met het bestuderen van de drie belangrijkste boeddhistische tradities: theravada, zen en Tibetaans boeddhisme. Daarnaast zijn er de algemene religiestudie-vakken zoals religietheorieën en inleiding sociale wetenschappen, christendom, en geschiedenis van de filosofie. Het tweede jaar bouwt daarop voort met vakken over het lezen van klassieke boeddhistische teksten, naast algemene vakken zoals godsdienstfilosofie, antropologie van de religie, en godsdienstfenomenologie. Het derde jaar is voor de helft een vrije ruimte, de zogenaamde minor (thema: India en het Westen). In de tweede helft is er tijd voor verdiepingsvakken als (boeddhistische) ethiek, terwijl het derde jaar uitloopt op het schrijven van je bachelor-scriptie over een zelfgekozen onderwerp.”
Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme.
Informatie daarover moet nog komen.
[Op 31 januari nagekomen bericht van André van der Braak: "Overigens kunnen geïnteresseerden in de pre-master ook op 11 februari komen, ze hoeven niet te wachten tot 17 maart."]
==========================================================================
Tot zover de feitelijke informatie die ik op verzoek van André van der Braak, de pas benoemde bijzonder hoogleraar boeddhisme, op dit boeddhisme blog zet.
Op persoonlijke titel wat kommentaar op deze ontwikkeling:
Met deze aangekondigde opleidingen komt een groot aantal institutionele belangen bij elkaar:
1. De VU dat graag het landelijk centrum van (de studie van) de interreligieuze dialoog wil worden en na de Islam - en uiteraard het Protestantisme - nu ook het boeddhisme heeft binnengehaald, en kennelijk ook een het hindoeisme. Een compleet kwartet dus.
2. De Stichting Nicolaas Pierson en 'hun' hoogleraar Andre van der Braak die tegelijk geïntegreerd is geraakt in de VU en de doelstelling van de Stichting voor een deel kan realiseren, althans in de vorm van geven van college's. Dat doel is niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, het geven ‘onderwijs’ maar vooral ook ‘onderzoek’ en dialoog van het boeddhisme met andere religies (zie noot *).
3. De BZI als verlengde van de BUN die, als Justitie er tenminste genoegen mee neemt want het is nog geen echte opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger (zie noot **), kan zeggen dat nu aan de erkenningseis van Justitie is voldaan en niets meer de definitieve erkenningsovereenkomst kan tegenhouden (nou, niets ....de relevantie van de BUN zelf was ook een voorwaarde).
4. Het ministerie van Veiligheid en Justitie zelf die nu zelf ook een kwartet levensbeschouwelijke richtingen in hun GV-pakket heeft. Een dubbelkwartet zelfs als ik goed tel.
Twee belangen ontbreken in dit rijtje maar die zijn dan ook een stuk minder institutioneel:
5. Die van de studenten - jonge boeddhisten (of misschien jonge ‘andersdenkenden’ met belangstelling voor het boeddhisme) die nu een mooi vak kunnen gaan doen, weliswaar met een zeer onzeker betaald-beroepsperspectief.
6. Die van oude(re) boeddhisten en degenen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme, verblijvend in zorgvoorzieningen die straks ook boeddhistische geestelijke verzorging kunnen krijgen, als ze daar behoefte aan hebben en als die betaalbaar is tenminste.
Ik noem gedetineerden die graag BGV willen niet, want daarvoor heeft Justitie al voldoende mensen in dienst en uitbreiding lijkt niet nodig. Ook noem ik GV in de Krijgsmacht niet want daar werken nauwelijks boeddhisten, is mijn indruk, in ieder geval is het boeddhisme daar geen erkende levensbeschouwing, en dat moet maar zo blijven, is mijn persoonlijke mening.
Hoe verhouden deze belangen zich ten opzichte van elkaar ?
Voor degenen die (als geestelijk verzorger) in organisaties gaat werken, en dus ook voor degenen die daarvoor gaan studeren, is het goed het krachtenveld te begrijpen waarin men verkeert.
Dit is eveneens voor besluitvormers binnen elk van bovengenoemde instituties met belangen relevant.
Tenslotte: voor mij als boeddhist en buitenstaander is transparantie en zuiverheid in praten en handelen een centraal punt.
Een paar punten:
Het belang van de Nicolaas Pierson Stichting en prof. van der Braak (#2) valt – in mijn visie – niet samen met dat van de faculteit Godgeleerdheid van de VU (#1). Van der Braak is bijzonder hoogleraar met een bijzondere opdracht en het kan toch niet zo zijn dat een hele VU-opleiding op deze bijzonder hoogleraar leunt ?
Voorzover de belangen van de VU en van der Braak (namelijk het onderzoek en onderwijs van het boeddhisme in relatie tot andere religies) overlappen (1# en 2#), moeten ze uitsluitend ten dienste staan van de studenten en van (nogal abstract) de interreligieuze discussie. Andere institutionele belangen (3# en 4# bijvoorbeeld) mogen daarbij geen rol spelen !
Lang niet alle studenten van de komende bachelor zullen de ambitie hebben, boeddhistisch geestelijk verzorger te worden. Ook andere beroepen of functies als vrijwilliger worden genoemd. Toch zal ik het in deze blog over de geestelijke verzorging hebben omdat dat de sector is waarin ik me heb verdiept. Voor hen geldt: de opleidingen die in september gaan starten, vormen de basis voor de opleiding tot geestelijk verzorger.
Het belang van BZI en BUN op dit moment is dat het beschikbaar zijn van een opleiding voorwaarde is voor de erkenning van de BUN en het voortbestaan van de BZI. Zie voor de details hieronder.
In hoeverre de belangen van Justitie (3#) en BUN/BZI (4#) overlappen is in deze beschouwing wat buiten de orde; persoonlijk denk ik dat de BZI zich de afgelopen jaren – wat betreft geestelijke verzorging aan gedetineerden - te sterk met Justitie geïdentificeerd heeft.
Tenslotte de objecten van geestelijke verzorging, hierboven als #6 aangeduid.
Daarvan is niet zoveel bekend. Er zijn vast wel bewoners van zorginstellingen (van langdurige zorg) en patiënten in ziekenhuizen die het liefst geestelijke verzorging door een boeddhist krijgen. Maar hoeveel en welk soort (gesprek, samen doen van rituelen, meditatie, algemeen boeddhistisch of volgens een specifieke traditie), daar is niets van bekend.
Het lijkt me een goed idee dat een onderzoek naar deze behoefte wordt gedaan; niet een snel marketing-onderzoek maar de diepte in. Zelfs de grootte-orde is onbekend: zijn er tien nodig of vijftig ... ?
Boeddhistische geestelijke verzorging dient uiteraard betrouwbaar te zijn, een instrument daarvoor is een geaccrediteerde opleiding van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers. Een master van de VU is dat, zie de webpagina .
Interessant is ook het toetsingskader bij deze accreditatie in de pdf : je moet wel kennen en kunnen als geestelijk verzorger in een zorginstelling!
===========================================================================
Noot *
Uit de advertentie van de VU, mei 2011
"De leerstoelhouder zal:
- onderzoek ontwikkelen en verrichten op het terrein van de ontmoeting van boeddhistische filosofische tradities met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities;
- onderzoek op het gebied van de leerstoel stimuleren, coördineren en ondersteunen, onder andere in de vorm van het begeleiden van promotieonderzoek;
- deelnemen aan één van de onderzoeksprogramma’s van de Faculteit der Godgeleerdheid, ondergebracht in het interfacultaire VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society (VISOR);
- onderzoeksvoorstellen doen en (externe) onderzoeksmiddelen verwerven;
- participeren in internationale multidisciplinaire onderzoeksprojecten binnen het domein van de leerstoel;
- onderwijs op het gebied van de boeddhistische traditie in dialoog met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities ontwikkelen en uitvoeren, met een focus op de raakvlakken tussen boeddhistisch en westers continentaal denken."
Noot **
Een eis van (toen nog) het ministerie van Justitie bij het voorlopig erkennen van de BUN in november 2008 luidde: “Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.”
De periode van drie jaar is met een paar maanden verlengd; ik vermoed omdat niet tijdig de evaluatie kon worden voltooid waarin duidelijk moesten of was voldaan aan bovengenoemde eis en die van de representativiteit van de BUN (wat betreft breedheid van de overkoepeling; effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland; continuïteit en stabiliteit van de BUN; en de toegankelijkheid).
Ik vermoed dat met de bachelor zoals hierboven beschreven nog niet is voldaan aan de eis van Justitie. Dat vermoeden baseer ik op eerdere uitlatingen over een nog komende ambtsopleiding boeddhisme.
Opvallend is dat op de website van de VU geen informatie is te vinden over deze te starten ambtsopleiding boeddhisme waarover het bestuur van de BZI begin november 2011 de leden van de BUN berichtte:
“... Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.”
Als ik de onderwijssystematiek goed begrijp volgen de master en de ambtsopleiding na de door de VU nu bekend gemaakte bachelor en de erop volgende pre-master. Inhoever opleidingen in hetzelfde jaar gecombineerd kunnen worden, weet ik niet.
De BZI-notitie vervolgt met: “Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen.
...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. ... Door hun vertrouwdheid met zowel de traditioneel boeddhistische context als die van het moderne leven zullen boeddhistische chaplains in staat zijn vernieuwing en traditie in het juiste licht te plaatsen en te voorzien in een in de samenleving levende behoefte aan kennis over het boeddhisme die zowel in de boeddhistische praktijk als het academische denken geworteld is.
De huidige stand van zaken is, dat vanuit de VU eind november een subsidieaanvraag zal worden ingediend bij het ministerie van OCW voor de eenjarige postdoctorale ambtsopleiding.
...
Indien de subsidie daadwerkelijk door OCW wordt verleend, zal de opleiding in september 2012 aan de VU van start kunnen gaan. “
Of de VU daadwerkelijkheid eind verleden jaar deze aanvraag bij OCW heeft ingediend en of – indien dit het geval is – OCW daarover al positief gaat beslissen (dat wordt belist geen hamerstuk, is mijn inschatting), is niet bekend. Hopenlijk wordt deze duidelijkheid binnen een paar maanden gegeven.
Op de via de website van de BUN te bereiken pagina staat:
“Tijdens deze voorlichting (van de VU, op 11 februari dus, zie boven) zal je (de aanstaande student dus), naast de praktische informatie en een minicollege over de bachelor opleiding, ook geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Deze informatie heb ik niet op de website van de VU gevonden. Mogelijk is het wat voorbarig; minstens betekent het een jaar uitstel ten opzichte van de hierboven geciteerde informatie van november 2011.
Als ik meer gegevens krijg, geef ik (Joop Romeijn dus, nogmaals: dit alles schrijvend op persoonlijke titel) dat op deze blog door.
Elders las ik hier over: "Indien je meer wilt weten over deze boeiende opleiding , bezoek dan de voorlichtingsronde van 10.00-10.45 op de Bachelorvoorlichtingsdag, welke plaats vindt op 11 februari aan de Vrije Universiteit. Schrijf je in op www.vu.nl/bachelorvoorlichtingsdag."
Eén van de opleidingsvormen – een nieuwe – is bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme.
Op de website van de faculteit der Godgeleerdheid staat daarover onder andere het volgende:
“De bachelor-opleiding Religie en Levensbeschouwing traject Boeddhisme concentreert zich op de verschillende boeddhistische tradities die vanuit Azië naar het Westen zijn gekomen, vanuit de context van hun ontmoeting met de moderniteit, en hun dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities.
Deze bachelor-opleiding is een combinatie van boeddhistische vakken en seculiere religiestudie-vakken. Je leert niet alleen om religies met elkaar te vergelijken vanuit een wetenschappelijk perspectief, maar ook om tot een doorleefde verdieping van verschillende boeddhistische tradities te komen. Vanuit die verdieping kun je vervolgens als academisch gevormde boeddhisme-deskundige bijdrage aan de verdere integratie van het boeddhisme in de Nederlandse samenleving, en vanuit het boeddhisme meedenken over spirituele oplossingen voor maatschappelijke problemen in Nederland en daarbuiten.
Jouw profiel: Je wordt geraakt door het boeddhisme, hebt misschien al eens kennisgemaakt met meditatie, en zou je graag meer verdiepen in de diverse boeddhistische tradities. Je vindt het belangrijk om kennis te maken met de bronteksten uit die tradities. Je wilt begrijpen hoe ‘religie’ werkt. Je wilt het boeddhisme doordenken en in praktijk brengen in de huidige Europese context.”
En vervolgens:
“ Zo is de opleiding ingedeeld
In het eerste jaar van de bachelor wordt er een begin gemaakt met het bestuderen van de drie belangrijkste boeddhistische tradities: theravada, zen en Tibetaans boeddhisme. Daarnaast zijn er de algemene religiestudie-vakken zoals religietheorieën en inleiding sociale wetenschappen, christendom, en geschiedenis van de filosofie. Het tweede jaar bouwt daarop voort met vakken over het lezen van klassieke boeddhistische teksten, naast algemene vakken zoals godsdienstfilosofie, antropologie van de religie, en godsdienstfenomenologie. Het derde jaar is voor de helft een vrije ruimte, de zogenaamde minor (thema: India en het Westen). In de tweede helft is er tijd voor verdiepingsvakken als (boeddhistische) ethiek, terwijl het derde jaar uitloopt op het schrijven van je bachelor-scriptie over een zelfgekozen onderwerp.”
Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme.
Informatie daarover moet nog komen.
[Op 31 januari nagekomen bericht van André van der Braak: "Overigens kunnen geïnteresseerden in de pre-master ook op 11 februari komen, ze hoeven niet te wachten tot 17 maart."]
==========================================================================
Tot zover de feitelijke informatie die ik op verzoek van André van der Braak, de pas benoemde bijzonder hoogleraar boeddhisme, op dit boeddhisme blog zet.
Op persoonlijke titel wat kommentaar op deze ontwikkeling:
Met deze aangekondigde opleidingen komt een groot aantal institutionele belangen bij elkaar:
1. De VU dat graag het landelijk centrum van (de studie van) de interreligieuze dialoog wil worden en na de Islam - en uiteraard het Protestantisme - nu ook het boeddhisme heeft binnengehaald, en kennelijk ook een het hindoeisme. Een compleet kwartet dus.
2. De Stichting Nicolaas Pierson en 'hun' hoogleraar Andre van der Braak die tegelijk geïntegreerd is geraakt in de VU en de doelstelling van de Stichting voor een deel kan realiseren, althans in de vorm van geven van college's. Dat doel is niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, het geven ‘onderwijs’ maar vooral ook ‘onderzoek’ en dialoog van het boeddhisme met andere religies (zie noot *).
3. De BZI als verlengde van de BUN die, als Justitie er tenminste genoegen mee neemt want het is nog geen echte opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger (zie noot **), kan zeggen dat nu aan de erkenningseis van Justitie is voldaan en niets meer de definitieve erkenningsovereenkomst kan tegenhouden (nou, niets ....de relevantie van de BUN zelf was ook een voorwaarde).
4. Het ministerie van Veiligheid en Justitie zelf die nu zelf ook een kwartet levensbeschouwelijke richtingen in hun GV-pakket heeft. Een dubbelkwartet zelfs als ik goed tel.
Twee belangen ontbreken in dit rijtje maar die zijn dan ook een stuk minder institutioneel:
5. Die van de studenten - jonge boeddhisten (of misschien jonge ‘andersdenkenden’ met belangstelling voor het boeddhisme) die nu een mooi vak kunnen gaan doen, weliswaar met een zeer onzeker betaald-beroepsperspectief.
6. Die van oude(re) boeddhisten en degenen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme, verblijvend in zorgvoorzieningen die straks ook boeddhistische geestelijke verzorging kunnen krijgen, als ze daar behoefte aan hebben en als die betaalbaar is tenminste.
Ik noem gedetineerden die graag BGV willen niet, want daarvoor heeft Justitie al voldoende mensen in dienst en uitbreiding lijkt niet nodig. Ook noem ik GV in de Krijgsmacht niet want daar werken nauwelijks boeddhisten, is mijn indruk, in ieder geval is het boeddhisme daar geen erkende levensbeschouwing, en dat moet maar zo blijven, is mijn persoonlijke mening.
Hoe verhouden deze belangen zich ten opzichte van elkaar ?
Voor degenen die (als geestelijk verzorger) in organisaties gaat werken, en dus ook voor degenen die daarvoor gaan studeren, is het goed het krachtenveld te begrijpen waarin men verkeert.
Dit is eveneens voor besluitvormers binnen elk van bovengenoemde instituties met belangen relevant.
Tenslotte: voor mij als boeddhist en buitenstaander is transparantie en zuiverheid in praten en handelen een centraal punt.
Een paar punten:
Het belang van de Nicolaas Pierson Stichting en prof. van der Braak (#2) valt – in mijn visie – niet samen met dat van de faculteit Godgeleerdheid van de VU (#1). Van der Braak is bijzonder hoogleraar met een bijzondere opdracht en het kan toch niet zo zijn dat een hele VU-opleiding op deze bijzonder hoogleraar leunt ?
Voorzover de belangen van de VU en van der Braak (namelijk het onderzoek en onderwijs van het boeddhisme in relatie tot andere religies) overlappen (1# en 2#), moeten ze uitsluitend ten dienste staan van de studenten en van (nogal abstract) de interreligieuze discussie. Andere institutionele belangen (3# en 4# bijvoorbeeld) mogen daarbij geen rol spelen !
Lang niet alle studenten van de komende bachelor zullen de ambitie hebben, boeddhistisch geestelijk verzorger te worden. Ook andere beroepen of functies als vrijwilliger worden genoemd. Toch zal ik het in deze blog over de geestelijke verzorging hebben omdat dat de sector is waarin ik me heb verdiept. Voor hen geldt: de opleidingen die in september gaan starten, vormen de basis voor de opleiding tot geestelijk verzorger.
Het belang van BZI en BUN op dit moment is dat het beschikbaar zijn van een opleiding voorwaarde is voor de erkenning van de BUN en het voortbestaan van de BZI. Zie voor de details hieronder.
In hoeverre de belangen van Justitie (3#) en BUN/BZI (4#) overlappen is in deze beschouwing wat buiten de orde; persoonlijk denk ik dat de BZI zich de afgelopen jaren – wat betreft geestelijke verzorging aan gedetineerden - te sterk met Justitie geïdentificeerd heeft.
Tenslotte de objecten van geestelijke verzorging, hierboven als #6 aangeduid.
Daarvan is niet zoveel bekend. Er zijn vast wel bewoners van zorginstellingen (van langdurige zorg) en patiënten in ziekenhuizen die het liefst geestelijke verzorging door een boeddhist krijgen. Maar hoeveel en welk soort (gesprek, samen doen van rituelen, meditatie, algemeen boeddhistisch of volgens een specifieke traditie), daar is niets van bekend.
Het lijkt me een goed idee dat een onderzoek naar deze behoefte wordt gedaan; niet een snel marketing-onderzoek maar de diepte in. Zelfs de grootte-orde is onbekend: zijn er tien nodig of vijftig ... ?
Boeddhistische geestelijke verzorging dient uiteraard betrouwbaar te zijn, een instrument daarvoor is een geaccrediteerde opleiding van de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers. Een master van de VU is dat, zie de webpagina .
Interessant is ook het toetsingskader bij deze accreditatie in de pdf : je moet wel kennen en kunnen als geestelijk verzorger in een zorginstelling!
===========================================================================
Noot *
Uit de advertentie van de VU, mei 2011
"De leerstoelhouder zal:
- onderzoek ontwikkelen en verrichten op het terrein van de ontmoeting van boeddhistische filosofische tradities met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities;
- onderzoek op het gebied van de leerstoel stimuleren, coördineren en ondersteunen, onder andere in de vorm van het begeleiden van promotieonderzoek;
- deelnemen aan één van de onderzoeksprogramma’s van de Faculteit der Godgeleerdheid, ondergebracht in het interfacultaire VU Institute for the Study of Religion, Culture and Society (VISOR);
- onderzoeksvoorstellen doen en (externe) onderzoeksmiddelen verwerven;
- participeren in internationale multidisciplinaire onderzoeksprojecten binnen het domein van de leerstoel;
- onderwijs op het gebied van de boeddhistische traditie in dialoog met andere levensbeschouwelijke en religieuze tradities ontwikkelen en uitvoeren, met een focus op de raakvlakken tussen boeddhistisch en westers continentaal denken."
Noot **
Een eis van (toen nog) het ministerie van Justitie bij het voorlopig erkennen van de BUN in november 2008 luidde: “Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.”
De periode van drie jaar is met een paar maanden verlengd; ik vermoed omdat niet tijdig de evaluatie kon worden voltooid waarin duidelijk moesten of was voldaan aan bovengenoemde eis en die van de representativiteit van de BUN (wat betreft breedheid van de overkoepeling; effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland; continuïteit en stabiliteit van de BUN; en de toegankelijkheid).
Ik vermoed dat met de bachelor zoals hierboven beschreven nog niet is voldaan aan de eis van Justitie. Dat vermoeden baseer ik op eerdere uitlatingen over een nog komende ambtsopleiding boeddhisme.
Opvallend is dat op de website van de VU geen informatie is te vinden over deze te starten ambtsopleiding boeddhisme waarover het bestuur van de BZI begin november 2011 de leden van de BUN berichtte:
“... Het huidige plan is om aan een eenjarige masteropleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger een (internationale) eenjarige boeddhistische ambtsopleiding te koppelen. Dit extra jaar stroomlijnt de opleiding inhoudelijk met die van andere religies, wat de VU noodzakelijk acht, gelet op de gelijkschakeling van de beroepsprofielen van pastoraal werkers, en geestelijk verzorgers in Nederland.”
Als ik de onderwijssystematiek goed begrijp volgen de master en de ambtsopleiding na de door de VU nu bekend gemaakte bachelor en de erop volgende pre-master. Inhoever opleidingen in hetzelfde jaar gecombineerd kunnen worden, weet ik niet.
De BZI-notitie vervolgt met: “Omdat voor academisch geschoolde ambtsdragers in het boeddhisme geen pasklare term voorhanden is, zal de internationaal gangbare term chaplains worden overgenomen.
...
Door het gebruik van het begrip chaplain wordt de boeddhistisch ambtsdrager nadrukkelijk onderscheiden van de functie van dharma teacher. ... Door hun vertrouwdheid met zowel de traditioneel boeddhistische context als die van het moderne leven zullen boeddhistische chaplains in staat zijn vernieuwing en traditie in het juiste licht te plaatsen en te voorzien in een in de samenleving levende behoefte aan kennis over het boeddhisme die zowel in de boeddhistische praktijk als het academische denken geworteld is.
De huidige stand van zaken is, dat vanuit de VU eind november een subsidieaanvraag zal worden ingediend bij het ministerie van OCW voor de eenjarige postdoctorale ambtsopleiding.
...
Indien de subsidie daadwerkelijk door OCW wordt verleend, zal de opleiding in september 2012 aan de VU van start kunnen gaan. “
Of de VU daadwerkelijkheid eind verleden jaar deze aanvraag bij OCW heeft ingediend en of – indien dit het geval is – OCW daarover al positief gaat beslissen (dat wordt belist geen hamerstuk, is mijn inschatting), is niet bekend. Hopenlijk wordt deze duidelijkheid binnen een paar maanden gegeven.
Op de via de website van de BUN te bereiken pagina staat:
“Tijdens deze voorlichting (van de VU, op 11 februari dus, zie boven) zal je (de aanstaande student dus), naast de praktische informatie en een minicollege over de bachelor opleiding, ook geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”
Deze informatie heb ik niet op de website van de VU gevonden. Mogelijk is het wat voorbarig; minstens betekent het een jaar uitstel ten opzichte van de hierboven geciteerde informatie van november 2011.
Als ik meer gegevens krijg, geef ik (Joop Romeijn dus, nogmaals: dit alles schrijvend op persoonlijke titel) dat op deze blog door.
vrijdag 11 november 2011
Het advies 'Boeddhisme als richting' van de Onderwijsraad - en het ontbreken van reacties daarop
Een jaar geleden bracht de Onderwijsraad – het belangrijkste adviesorgaan van de minister van Onderwijs – een advies uit onder de titel ‘Boeddhisme als Richting’. Op basis van dit advies besloot de minister dat er geen boeddhistische basisschool mag komen.
Formeel geldt dit advies wellicht alleen de Onderwijswetten, maar gezien de strekking zullen ook andere overheidsdelen er door geraakt worden, zeker als er van een subsidiererelatie met OC&W sprake is, zoals een boeddhistische ambtsopleiding.
Ik zal de niet-puur-bestuurlijke delen van dit advies samenvatten en er wat kommentaar op geven.
Eerst wil ik er echter m’n verbazing over uitspreken dat het afgelopen jaar geen boeddhist of boeddhistische organisatie op dit advies heeft gereageerd. De strekking immers is dat het boeddhisme in Nederland geen richting is (op basis waarvan een subsidierelatie acceptabel is).
De Mandalaschool heeft wel beroep bij de Raad van State aangetekend tegen het negatieve besluit van de minister maar mijn indruk is dat dat vooral bestuurlijk van aard was en nauwelijks inhoudelijk. Dat beroep is inmiddels – door geldgebrek – ingetrokken (zie hier).
Maar tot een fundamentele weerlegging van het advies voelde kennelijk niemand in Nederland zich geroepen.
Relevante passages uit de samenvatting van het advies (zoals verwoord in pag. 7 en 8)
Dit advies geeft een antwoord op de vraag van de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) of het boeddhisme is te beschouwen als richting, zoals genoemd in de onderwijswetten. De concrete aanleiding vormt het voornemen van de gemeente Amsterdam om een bijzondere basisschool op boeddhistische grondslag
op het gemeentelijk plan van scholen te plaatsen.
De raad hanteert bij de beantwoording een aantal criteria zoals die gevormd zijn in uitspraken van de rechter en in andere raadsadviezen over de richting van (nieuw te stichten) scholen. Beslissende ijkpunten zijn daarbij de vraag of de grondslag die wordt opgevoerd is te beschouwen als godsdienst of levensovertuiging, of er voldoende uitwerking plaatsvindt in de statuten, of er sprake is van een – zoals de rechter het heeft geformuleerd – aan het onderwijs “ten grondslag liggende geestelijke stroming die zich in een binnen Nederland waarneembare beweging openbaart en ook op andere terreinen van het leven doorwerkt” en tot slot of er voldoende draagvlak is.
...
Getoetst aan de criteria is het op de eerste plaats duidelijk dat het boeddhisme een (wereld)godsdienst of levensbeschouwing is. Het boeddhisme kent een zeer gevarieerde invulling. Als de raad het goed ziet is in de beleving van ‘westerse’ boeddhisten eerder sprake van een levensbeschouwing (een wijze van leven) dan een
godsdienst. De raad heeft geen oordeel of het boeddhisme nu als godsdienst of levensbeschouwing is op te vatten; het volstaat dat er voldoende onderscheid is ten opzichte van andere richtingen en dat het niet gaat om een pedagogische stroming.
...
Ten aanzien van het criterium voldoende waarneembare stroming in de Nederlandse samenleving is op te merken dat deze vraag lastig is te beantwoorden, omdat betrouwbare cijfers over het precieze aantal boeddhisten ontbreken. Er bestaan ook geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria om uit maken wanneer en op welke
wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden (dit is met name een zaak van zelfdefinitie). Omdat de omvang van boeddhistische stroming onduidelijk is, vindt de raad het van belang dat er bestaande instituties zijn voor verschillende activiteiten en leeftijden die wijzen op een bewezen inbedding in de Nederlandse samenleving.
Dit kan als borging worden beschouwd voor de toekomstige continuïteit van activiteiten in het onderwijs (voldoende en blijvende aanwas in leerlingental en in personen betrokken bij het bestuur en de organisatie).
Er is weliswaar sprake van een (kleine) omroep en er zijn enkele geestelijke verzorgers actief in gevangenissen, maar de raad vindt dat onvoldoende om te spreken van ‘een waarneembare stroming’. Er zijn bijvoorbeeld nog geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen.
...
De raad adviseert de minister het boeddhisme niet te erkennen als richting zoals bedoeld in de WPO. Deze constatering geldt voor dit moment. Het is volgens de raad goed mogelijk dat in de toekomst de conclusies anders kunnen zijn, mits de brede maatschappelijke inbedding, de statuten en het draagvlak voldoende vorm hebben gekregen.
Kommentaar
Veel van wat de Onderwijsraad in dit advies zegt, is voor mij duidelijk:
Dat aantal boeddhisten discussiepunt is, is een understatement. Het aantal geclaimde boeddhisten is in diverse aanvragen de recente tijd veel te hoog geweest: wel vijf tot tien maal te hoog, de strijd daarover is bitter (geweest).
En een groot deel van degenen die boeddhist genoemd kan worden, participeert inderdaad niet in een groep (sangha genoemd), zodat velen niet in een religieus genootschap (een landelijke organisatie) gerepresenteerd worden; het is de vraag of zij dan wel behoefte hebben aan een boeddhistische voorziening, bijvoorbeeld van onderwijs of gezondheidzorg.
Dat er geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen zijn, vind ik veel minder problematisch. Het boeddhisme is inderdaad geen zuil in de traditionele eerste-helft-twintigste-eeuw-zin; maar: so what ? Die waren er in de boeddhistische Aziatische landen ook niet.
Wel wordt een standpunt van het boeddhisme op actuele politieke en maatschappelijk thema’s soms pijnlijk gemist en ontbreekt er iets als boeddhistische journalistiek.
Het feit dat er geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria bestaan om uit maken wanneer en op welke wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden, omdat dit is met name een zaak van zelfdefinitie, vind ik geen probleem: ook dit is juist kenmerkend voor het boeddhisme (in Azië).
Veel belangrijker – en slechts indirect in dit advies aan de orde komend – is dat er in Nederland nauwelijks of niet van HET boeddhisme gesproken kan worden. De verschillen tussen de drie grote tradities (Theravada, Zen en Tibetaans boeddhisme) zijn aanzienlijk en daarbinnen zijn er ook weer allerlei varianten. Ik denk dat de verschillen groter zijn dan in andere religies, in Nederland beoefend. Wat daarbij extra compliceert is dat discussie daarover tussen de beoefenareen nauwelijks plaatsvindt: men kent elkaars traditie niet en lijkt er ook niet in geïnteresseerd.
Samengevat: HET boeddhisme in Nederland heeft geen identiteit, is diffuus; dat is voor een individu die een van de vormen ervan beoefent, geen probleem; dat wordt pas een probleem in interactie met de overheid die graag met duidelijke entiteiten om gaat. Het georganiseerde boeddhisme moet met dit dilemma om kunnen gaan.
Mijn conclusie: '
Voordat er weer een aanvraag wordt gedaan bij de overheid voor een boeddhistische voorziening, moet eerst serieus een antwoord op dit advies van de Onderwijsraad geformuleerd en intern bediscussieerd worden.
Joop
Bijlage: inhoudsopgave van het advies
Samenvatting 7
1 Aanleiding, adviesvraag en adviescriteria 9
1.1 Aanleiding en adviesvraag: aanvraag door Stichting Mandalaschool in Amsterdam 9
1.2 Toetsingscriteria: jurisprudentie en eerdere adviezen rond richtingsaanvragen 9
1.3 Opbouw van het advies 10
2 Boeddhisme als stroming in de Nederlandse samenleving 11
2.1 De boeddhistische godsdienst of levensbeschouwing en het perspectief van onderwijs 11
2.2 Aantal boeddhisten in Nederland en boeddhistische organisaties 13
2.3 Erkenning door de overheid 14
3 Toetsing op de richtingscriteria 16
3.1 Toetsing aan de omschrijving van godsdienst of levensbeschouwing 16
3.2 Toetsing van de statutaire grondslag 17
3.3 Toetsing aan het element van voldoende maatschappelijke doorwerking en draagvlak 17
3.4 Conclusie: geen richting als bedoeld in de onderwijswet 18
4 Conclusies en aanbevelingen 19
4.1 Conclusies 19
4.2 Aanbevelingen aan de minister 20
Afkortingen 22
Literatuur 23
Geraadpleegde personen 24
Formeel geldt dit advies wellicht alleen de Onderwijswetten, maar gezien de strekking zullen ook andere overheidsdelen er door geraakt worden, zeker als er van een subsidiererelatie met OC&W sprake is, zoals een boeddhistische ambtsopleiding.
Ik zal de niet-puur-bestuurlijke delen van dit advies samenvatten en er wat kommentaar op geven.
Eerst wil ik er echter m’n verbazing over uitspreken dat het afgelopen jaar geen boeddhist of boeddhistische organisatie op dit advies heeft gereageerd. De strekking immers is dat het boeddhisme in Nederland geen richting is (op basis waarvan een subsidierelatie acceptabel is).
De Mandalaschool heeft wel beroep bij de Raad van State aangetekend tegen het negatieve besluit van de minister maar mijn indruk is dat dat vooral bestuurlijk van aard was en nauwelijks inhoudelijk. Dat beroep is inmiddels – door geldgebrek – ingetrokken (zie hier).
Maar tot een fundamentele weerlegging van het advies voelde kennelijk niemand in Nederland zich geroepen.
Relevante passages uit de samenvatting van het advies (zoals verwoord in pag. 7 en 8)
Dit advies geeft een antwoord op de vraag van de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) of het boeddhisme is te beschouwen als richting, zoals genoemd in de onderwijswetten. De concrete aanleiding vormt het voornemen van de gemeente Amsterdam om een bijzondere basisschool op boeddhistische grondslag
op het gemeentelijk plan van scholen te plaatsen.
De raad hanteert bij de beantwoording een aantal criteria zoals die gevormd zijn in uitspraken van de rechter en in andere raadsadviezen over de richting van (nieuw te stichten) scholen. Beslissende ijkpunten zijn daarbij de vraag of de grondslag die wordt opgevoerd is te beschouwen als godsdienst of levensovertuiging, of er voldoende uitwerking plaatsvindt in de statuten, of er sprake is van een – zoals de rechter het heeft geformuleerd – aan het onderwijs “ten grondslag liggende geestelijke stroming die zich in een binnen Nederland waarneembare beweging openbaart en ook op andere terreinen van het leven doorwerkt” en tot slot of er voldoende draagvlak is.
...
Getoetst aan de criteria is het op de eerste plaats duidelijk dat het boeddhisme een (wereld)godsdienst of levensbeschouwing is. Het boeddhisme kent een zeer gevarieerde invulling. Als de raad het goed ziet is in de beleving van ‘westerse’ boeddhisten eerder sprake van een levensbeschouwing (een wijze van leven) dan een
godsdienst. De raad heeft geen oordeel of het boeddhisme nu als godsdienst of levensbeschouwing is op te vatten; het volstaat dat er voldoende onderscheid is ten opzichte van andere richtingen en dat het niet gaat om een pedagogische stroming.
...
Ten aanzien van het criterium voldoende waarneembare stroming in de Nederlandse samenleving is op te merken dat deze vraag lastig is te beantwoorden, omdat betrouwbare cijfers over het precieze aantal boeddhisten ontbreken. Er bestaan ook geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria om uit maken wanneer en op welke
wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden (dit is met name een zaak van zelfdefinitie). Omdat de omvang van boeddhistische stroming onduidelijk is, vindt de raad het van belang dat er bestaande instituties zijn voor verschillende activiteiten en leeftijden die wijzen op een bewezen inbedding in de Nederlandse samenleving.
Dit kan als borging worden beschouwd voor de toekomstige continuïteit van activiteiten in het onderwijs (voldoende en blijvende aanwas in leerlingental en in personen betrokken bij het bestuur en de organisatie).
Er is weliswaar sprake van een (kleine) omroep en er zijn enkele geestelijke verzorgers actief in gevangenissen, maar de raad vindt dat onvoldoende om te spreken van ‘een waarneembare stroming’. Er zijn bijvoorbeeld nog geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen.
...
De raad adviseert de minister het boeddhisme niet te erkennen als richting zoals bedoeld in de WPO. Deze constatering geldt voor dit moment. Het is volgens de raad goed mogelijk dat in de toekomst de conclusies anders kunnen zijn, mits de brede maatschappelijke inbedding, de statuten en het draagvlak voldoende vorm hebben gekregen.
Kommentaar
Veel van wat de Onderwijsraad in dit advies zegt, is voor mij duidelijk:
Dat aantal boeddhisten discussiepunt is, is een understatement. Het aantal geclaimde boeddhisten is in diverse aanvragen de recente tijd veel te hoog geweest: wel vijf tot tien maal te hoog, de strijd daarover is bitter (geweest).
En een groot deel van degenen die boeddhist genoemd kan worden, participeert inderdaad niet in een groep (sangha genoemd), zodat velen niet in een religieus genootschap (een landelijke organisatie) gerepresenteerd worden; het is de vraag of zij dan wel behoefte hebben aan een boeddhistische voorziening, bijvoorbeeld van onderwijs of gezondheidzorg.
Dat er geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen zijn, vind ik veel minder problematisch. Het boeddhisme is inderdaad geen zuil in de traditionele eerste-helft-twintigste-eeuw-zin; maar: so what ? Die waren er in de boeddhistische Aziatische landen ook niet.
Wel wordt een standpunt van het boeddhisme op actuele politieke en maatschappelijk thema’s soms pijnlijk gemist en ontbreekt er iets als boeddhistische journalistiek.
Het feit dat er geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria bestaan om uit maken wanneer en op welke wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden, omdat dit is met name een zaak van zelfdefinitie, vind ik geen probleem: ook dit is juist kenmerkend voor het boeddhisme (in Azië).
Veel belangrijker – en slechts indirect in dit advies aan de orde komend – is dat er in Nederland nauwelijks of niet van HET boeddhisme gesproken kan worden. De verschillen tussen de drie grote tradities (Theravada, Zen en Tibetaans boeddhisme) zijn aanzienlijk en daarbinnen zijn er ook weer allerlei varianten. Ik denk dat de verschillen groter zijn dan in andere religies, in Nederland beoefend. Wat daarbij extra compliceert is dat discussie daarover tussen de beoefenareen nauwelijks plaatsvindt: men kent elkaars traditie niet en lijkt er ook niet in geïnteresseerd.
Samengevat: HET boeddhisme in Nederland heeft geen identiteit, is diffuus; dat is voor een individu die een van de vormen ervan beoefent, geen probleem; dat wordt pas een probleem in interactie met de overheid die graag met duidelijke entiteiten om gaat. Het georganiseerde boeddhisme moet met dit dilemma om kunnen gaan.
Mijn conclusie: '
Voordat er weer een aanvraag wordt gedaan bij de overheid voor een boeddhistische voorziening, moet eerst serieus een antwoord op dit advies van de Onderwijsraad geformuleerd en intern bediscussieerd worden.
Joop
Bijlage: inhoudsopgave van het advies
Samenvatting 7
1 Aanleiding, adviesvraag en adviescriteria 9
1.1 Aanleiding en adviesvraag: aanvraag door Stichting Mandalaschool in Amsterdam 9
1.2 Toetsingscriteria: jurisprudentie en eerdere adviezen rond richtingsaanvragen 9
1.3 Opbouw van het advies 10
2 Boeddhisme als stroming in de Nederlandse samenleving 11
2.1 De boeddhistische godsdienst of levensbeschouwing en het perspectief van onderwijs 11
2.2 Aantal boeddhisten in Nederland en boeddhistische organisaties 13
2.3 Erkenning door de overheid 14
3 Toetsing op de richtingscriteria 16
3.1 Toetsing aan de omschrijving van godsdienst of levensbeschouwing 16
3.2 Toetsing van de statutaire grondslag 17
3.3 Toetsing aan het element van voldoende maatschappelijke doorwerking en draagvlak 17
3.4 Conclusie: geen richting als bedoeld in de onderwijswet 18
4 Conclusies en aanbevelingen 19
4.1 Conclusies 19
4.2 Aanbevelingen aan de minister 20
Afkortingen 22
Literatuur 23
Geraadpleegde personen 24
Labels:
boeddhisme in Nederland,
BUN,
geestelijk verzorger,
VU
maandag 27 juni 2011
Vragen over een opleiding boeddhistisch leraar
In juni heb ik een brief aan het Ministerie van Onderwijs gestuurd met wat vragen over een eventuele opleiding voor boeddhistisch geestelijk verzorger c.q. een boeddhistische ambtsopleiding (een in BUN-krigen gebagatelliseerd onderscheid)
Het antwoord dat ik een maand later kreeg was voor mij een verrassing: er is nog helemaal geen aanvraag ingediend.
Aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering
Betreft: Mogelijke aanvraag financiering ambtsopleiding boeddhisten
door de V.U. samen met de B.Z.I. (2)
Amersfoort, 20 juni 2011
Geachte dames en heren
Op 18 februari van dit jaar heb ik u – op persoonlijke titel, als maatschappelijk betrokken boeddhist - in een brief enige informatie gegeven over het krachtenveld om de opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger,
Helaas heb ik daar nog geen reactie op gekregen van u, al realiseer ik me dat ik ook geen concrete vragen had geformuleerd.
Hierbij enige aanvullende informatie en wat vragen.
Zowel de VU (de Faculteit der Godgeleerdheid) als de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) willen dat deze opleiding door de VU wordt gegeven en hopen op financiering door uw ministerie, vermoedelijk op basis van de regeling genoemd in Kamerstuk 31821 nr. 80. ‘Vermoedelijk’ want ik ken de aanvraag niet; mogelijk is de aanvraag daartoe die de VU en de BZI (en de Hindoeraad) d.d. 17-11-2009 aan het ministerie van Justitie heeft verstuurd, door Justitie aan uw ministerie doorgeleid.
Mijn eerste vraag: heeft u een verzoek tot financiering van een opleiding tot boeddhistisch
geestelijk verzorger ontvangen, hetzij van de VU hetzij via het ministerie van Justitie ?
De tweede (voor deze en volgende vragen is mijn aanname dat een verzoek is gedaan):
meent u dat ‘de boeddhisten’ voldoen aan de criteria genoemd in Kamerstuk 31821 nr 80?
De derde: welk aantal boeddhisten is er volgens u in Nederland, in uw systematiek ?
(Ik vraag dit omdat ik met redenen vermoed dat de BZI een veel te hoog aantal opvoert)
Een aspect van mijn eerdere brief wil ik nog eens onder uw aandacht brengen: de term ‘ambtsopleiding’. Hierover is in boeddhistische kringen nogal wat verwarring ontstaan.
De term 'ambtsopleiding' zal de boeddhistische organisaties in Nederland (sangha's genaamd) zeer ongewenst voorkomen, want er worden toch geen leraren zoals sangha's die kennen, opgeleid, maar boeddhistisch geestelijk verzorgers?
In het boeddhisme zijn dat verschillende functies, bij andere religies mogelijk niet.
Zoals ik laatst aan een boeddhistisch leraar schreef: “Het gaat in de toekomstige opleiding
dus niet alleen om geestelijk verzorgers maar ook om wat in het boeddhisme heet, leraren. Daar weten de sangha's in Nederland niets van. Hebben de toekomstige docenten van de VU dan transmissie gekregen in allerlei boeddhistische scholen? En hoe wordt deze ambtsopleiding afgerond, met een kerkelijk examen net zo als bij de dominee-opleiding? Het lijkt er op dat de BZI wil gaan bepalen wie in de toekomst leraar wordt.”
Mijn vierde vraag: maakt uw ministerie een onderscheid tussen een opleiding tot ‘geestelijk verzorger’, bijvoorbeeld die geaccrediteerd door de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers enerzijds; en een opleiding voor ambtsdragers zoals een dominee of een boeddhistische leraar, anderzijds ?
Een ander aspect betreft de behoefte aan opgeleide boeddhistisch geestelijk verzorgers.
De hele opleidingsvraag is ontstaan door een formele eis van het ministerie van (Veiligheid en) Justitie, t.b.v. het gevangeniswezen. Daar zijn nu inmiddels voldoende geestelijk verzorgers aangesteld; er is geen reden aan te nemen dat daar meer boeddhistisch geestelijk verzorgers gevraagd zullen worden. In de krijgsmacht zal de behoefte ook niet aanwezig zijn. Blijft over de gezondheidszorg; uit geen enkele uitlating van de (mensen om de) BZI blijkt echter kennis van deze sector.
Mijn vijfde vraag: heeft u enig zicht op de mogelijkheid dat er voor opgeleide
boeddhistisch geestelijk verzorgers, al dan niet als ‘ambtsdrager’, werkgelegenheid is ?
Enkele nieuwe feiten wil ik u melden.
De eerste is dat hoogstwaarschijnlijk het bestuur van de Boeddhistisch Unie Nederland (BUN) nooit een ‘Delegatieovereenkomst’ met de BZI heeft getekend en dus geen bevoegdheden aan de BZI heeft gedelegeerd. Er is slechts een ongetekende versie met als datum 3 april 2009, ook het ministerie van Justitie heeft geen andere dan deze ongetekende versie. (‘Alleen al’ want bovendien blijkt in 2009 de BZI nog niet formeel te hebben bestaan; uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt als inschrijvingsdatum 26-04-2010). De subsidie-aanvraag mede getekend door de voorzitter van de BZI aan Justitie is alleen al daardoor niet rechtsgeldig.
Decaan prof. dr. W. Janse van de Faculteit Godgeleerdheid van de VU heeft tegen het bestuur van BUN beaamd dat hiermee de grond onder overeenkomsten met de BZI verdwenen is. (Uw vermoeden in antwoord op vraag 5 in Kamerstuk 31821 nr 82 is niet geheel juist: niet de BUN maar de BZI heeft een samenwerkingsovereenkomst met een universiteit. Een mogelijk ongeldig te verklaren overeenkomst, blijkt nu).
Het tweede feit is het bestaan van een conflict tussen het bestuur van de BUN en de BZI over de bevoegdheden van de – zich autonoom gedragende - BZI, al aanwezig voordat het bestuur van de BUN begon te vermoeden dat hun voorgangers de Delegatieovereenkomst niet hadden getekend, er is namelijk nogal wat verloop tussen bestuursleden geweest.
De ledenvergadering van de BUN had op 11 juni 2011 een besluit hierover moeten nemen maar dat is niet gebeurd omdat een (grote) groep leden een ruzieachtige sfeer creëerde.
Er is een commissie benoemd die zich over deze problematiek gaat buigen; het BUN-bestuur is m.i. feitelijk niet meer in staat beleid te voeren in deze onderzoeksfase, die vermoedelijk pas eind dit najaar afgerond gaat worden in een nieuwe ledenvergadering.
Mijn zesde vraag aan u: erkent u gezien deze achtergrondinformatie de aanvraag gedaan
door de BZI (en de VU) ?
Mijn zevende vraag: gaat u een aanvraag financieel honoreren, op basis van Kamer-
stuk 31821 nr. 80 of een andere regeling, en bijvoorbeeld ingaand 2012 ?
In afwachting van uw antwoord op deze wat mij betreft openbare brief,
Hoogachtend,
drs. J.W. Romeijn
Het antwoord dat ik een maand later kreeg was voor mij een verrassing: er is nog helemaal geen aanvraag ingediend.
Aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Directie Hoger Onderwijs & Studiefinanciering
Betreft: Mogelijke aanvraag financiering ambtsopleiding boeddhisten
door de V.U. samen met de B.Z.I. (2)
Amersfoort, 20 juni 2011
Geachte dames en heren
Op 18 februari van dit jaar heb ik u – op persoonlijke titel, als maatschappelijk betrokken boeddhist - in een brief enige informatie gegeven over het krachtenveld om de opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger,
Helaas heb ik daar nog geen reactie op gekregen van u, al realiseer ik me dat ik ook geen concrete vragen had geformuleerd.
Hierbij enige aanvullende informatie en wat vragen.
Zowel de VU (de Faculteit der Godgeleerdheid) als de Boeddhistisch Zendende Instantie (BZI) willen dat deze opleiding door de VU wordt gegeven en hopen op financiering door uw ministerie, vermoedelijk op basis van de regeling genoemd in Kamerstuk 31821 nr. 80. ‘Vermoedelijk’ want ik ken de aanvraag niet; mogelijk is de aanvraag daartoe die de VU en de BZI (en de Hindoeraad) d.d. 17-11-2009 aan het ministerie van Justitie heeft verstuurd, door Justitie aan uw ministerie doorgeleid.
Mijn eerste vraag: heeft u een verzoek tot financiering van een opleiding tot boeddhistisch
geestelijk verzorger ontvangen, hetzij van de VU hetzij via het ministerie van Justitie ?
De tweede (voor deze en volgende vragen is mijn aanname dat een verzoek is gedaan):
meent u dat ‘de boeddhisten’ voldoen aan de criteria genoemd in Kamerstuk 31821 nr 80?
De derde: welk aantal boeddhisten is er volgens u in Nederland, in uw systematiek ?
(Ik vraag dit omdat ik met redenen vermoed dat de BZI een veel te hoog aantal opvoert)
Een aspect van mijn eerdere brief wil ik nog eens onder uw aandacht brengen: de term ‘ambtsopleiding’. Hierover is in boeddhistische kringen nogal wat verwarring ontstaan.
De term 'ambtsopleiding' zal de boeddhistische organisaties in Nederland (sangha's genaamd) zeer ongewenst voorkomen, want er worden toch geen leraren zoals sangha's die kennen, opgeleid, maar boeddhistisch geestelijk verzorgers?
In het boeddhisme zijn dat verschillende functies, bij andere religies mogelijk niet.
Zoals ik laatst aan een boeddhistisch leraar schreef: “Het gaat in de toekomstige opleiding
dus niet alleen om geestelijk verzorgers maar ook om wat in het boeddhisme heet, leraren. Daar weten de sangha's in Nederland niets van. Hebben de toekomstige docenten van de VU dan transmissie gekregen in allerlei boeddhistische scholen? En hoe wordt deze ambtsopleiding afgerond, met een kerkelijk examen net zo als bij de dominee-opleiding? Het lijkt er op dat de BZI wil gaan bepalen wie in de toekomst leraar wordt.”
Mijn vierde vraag: maakt uw ministerie een onderscheid tussen een opleiding tot ‘geestelijk verzorger’, bijvoorbeeld die geaccrediteerd door de Stichting Kwaliteitsregister Geestelijk Verzorgers enerzijds; en een opleiding voor ambtsdragers zoals een dominee of een boeddhistische leraar, anderzijds ?
Een ander aspect betreft de behoefte aan opgeleide boeddhistisch geestelijk verzorgers.
De hele opleidingsvraag is ontstaan door een formele eis van het ministerie van (Veiligheid en) Justitie, t.b.v. het gevangeniswezen. Daar zijn nu inmiddels voldoende geestelijk verzorgers aangesteld; er is geen reden aan te nemen dat daar meer boeddhistisch geestelijk verzorgers gevraagd zullen worden. In de krijgsmacht zal de behoefte ook niet aanwezig zijn. Blijft over de gezondheidszorg; uit geen enkele uitlating van de (mensen om de) BZI blijkt echter kennis van deze sector.
Mijn vijfde vraag: heeft u enig zicht op de mogelijkheid dat er voor opgeleide
boeddhistisch geestelijk verzorgers, al dan niet als ‘ambtsdrager’, werkgelegenheid is ?
Enkele nieuwe feiten wil ik u melden.
De eerste is dat hoogstwaarschijnlijk het bestuur van de Boeddhistisch Unie Nederland (BUN) nooit een ‘Delegatieovereenkomst’ met de BZI heeft getekend en dus geen bevoegdheden aan de BZI heeft gedelegeerd. Er is slechts een ongetekende versie met als datum 3 april 2009, ook het ministerie van Justitie heeft geen andere dan deze ongetekende versie. (‘Alleen al’ want bovendien blijkt in 2009 de BZI nog niet formeel te hebben bestaan; uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt als inschrijvingsdatum 26-04-2010). De subsidie-aanvraag mede getekend door de voorzitter van de BZI aan Justitie is alleen al daardoor niet rechtsgeldig.
Decaan prof. dr. W. Janse van de Faculteit Godgeleerdheid van de VU heeft tegen het bestuur van BUN beaamd dat hiermee de grond onder overeenkomsten met de BZI verdwenen is. (Uw vermoeden in antwoord op vraag 5 in Kamerstuk 31821 nr 82 is niet geheel juist: niet de BUN maar de BZI heeft een samenwerkingsovereenkomst met een universiteit. Een mogelijk ongeldig te verklaren overeenkomst, blijkt nu).
Het tweede feit is het bestaan van een conflict tussen het bestuur van de BUN en de BZI over de bevoegdheden van de – zich autonoom gedragende - BZI, al aanwezig voordat het bestuur van de BUN begon te vermoeden dat hun voorgangers de Delegatieovereenkomst niet hadden getekend, er is namelijk nogal wat verloop tussen bestuursleden geweest.
De ledenvergadering van de BUN had op 11 juni 2011 een besluit hierover moeten nemen maar dat is niet gebeurd omdat een (grote) groep leden een ruzieachtige sfeer creëerde.
Er is een commissie benoemd die zich over deze problematiek gaat buigen; het BUN-bestuur is m.i. feitelijk niet meer in staat beleid te voeren in deze onderzoeksfase, die vermoedelijk pas eind dit najaar afgerond gaat worden in een nieuwe ledenvergadering.
Mijn zesde vraag aan u: erkent u gezien deze achtergrondinformatie de aanvraag gedaan
door de BZI (en de VU) ?
Mijn zevende vraag: gaat u een aanvraag financieel honoreren, op basis van Kamer-
stuk 31821 nr. 80 of een andere regeling, en bijvoorbeeld ingaand 2012 ?
In afwachting van uw antwoord op deze wat mij betreft openbare brief,
Hoogachtend,
drs. J.W. Romeijn
Abonneren op:
Posts (Atom)